Studie voor de Jeugd over de Romeinenbrief

Brief van Paulus aan de Romeinen

Dit is een studie van de brief van Paulus aan de gemeente te Rome. In het gangbare taalgebruik van de mensen die zich met de Bijbel bezig houden, is elk afzonderlijk document dat in de Bijbel is opgenomen een ‘boek’. De brief aan de gemeente te Rome is dus een ‘Bijbelboek’. Nu zijn er ongetwijfeld schrijvers die graag zouden zien dat elke pennenstreek die zij voortbrengen als een boek wordt erkend. Nu dat voorrecht had je alleen als je voor de Bijbel mocht schrijven. Dat kan echter niet meer, want die is al af. Het heeft echter ook nadelen dat elk document een boek wordt genoemd, want het schrikt af om er aan te beginnen. Het kleinste boek in het Nieuwe Testament is minder dan twee A4-tjes, maar het grootste staat in het Oude Testament en dat is (denk ik) Jesaja en dat is wel een aardige paperback. Laat je niet afschikken door het idee dat de brief waar we het hier over gaan hebben een Bijbelboek is en lees hem eerst eens een keer helemaal door; zo gebeurd.

Hoofdstukken

Het is van belang om te begrijpen dat de hoofdstukken van deze studie niet gelijk lopen met de hoofdstukken van de brief. Zo gaat bijvoorbeeld hoofdstuk 7 van deze studie over hoofdstuk 6 van de brief. Dat komt omdat dit geen vers-voor-vers verklaring is. Dit boekje is feitelijk geschreven om met elkaar te bespreken in een bijbelstudiegroep. De hoofdstukken zijn zo ingedeeld dat ze elke bijeenkomst een thema behandelen. Deze thema’s zijn niet altijd precies gekoppeld aan een hoofdstuk van de brief.

Inhoud

1. Aanleiding van het schijven van de Romeinenbrief
2. Indeling van de brief
3. Romeinen 1:1-3:20: Alle mensen zijn zondaren, zowel heidenen als de Joden de besnijdenis maak daarin geen verschil.
4. Romeinen 3:21-4: Gods gerechtigheid voor iedereen (Joden zowel als heidenen) buiten de Wet om door geloof alleen. Abraham als voorbeeld van geloof.
5. Romeinen 5: Wat is nu de vrucht en het resultaat van deze gerechtigheid?
6. In Adam gestorven en in Christus weer opgewekt.
7. Romeinen 6: Is het resultaat van de gerechtigheid nu dat wij niet meer zondigen?
8. Romeinen 7: Strijd van het vlees en de geest
9. Romeinen 8: Deze strijd overwinnen door de Geest
10.Romeinen 9-11: Als dit alles zo is wat is dan nu de positie van Israël
11. Romeinen 12- 16: Vermaningen, plannen en groeten.

Hoofdstuk 1

Aanleiding om de brief te schrijven Waarom schreef Paulus de kerk van Rome een brief?
50 nC. had Keizer Claudius een wet uitgevaardigd dat alle Joden de stad Rome hadden moeten verlaten Claudius was echter niet zo’n sterke keizer, noch fysiek noch politiek dus hij ging maar 5 jaar mee en zijn wet overleefde hem niet veel langer. Daardoor kwamen op dat moment veel van de vertrokken Joden weer terug naar de stad. De spanning die ontstond tussen de toen nog aanwezige heidense christenen en de terugkomende Joodse was de aanleiding voor Paulus voor het schrijven van deze brief.

Waar kwam dat spanningsveld tussen de joodse en heidense christenen vandaan?

Je zou toch zeggen dat Joden en christenen dezelfde God dienen. Toch kwam er een spanningsveld tussen hen. In dit hoofdstuk zal worden stil gestaan bij de vraag waar dat vandaan kwam. We weten uit de Bijbel dat het evangelie in het begin van de geschiedenis van de kerk vooral werd verkondigd door Joden aan de Joden. Het kostte God zelfs welhaast ‘moeite’ om de eerste volgelingen van Jezus te motiveren ook te gaan prediken onder de heidenen.

De kerk wordt geboren

Als wij Pinksteren vieren, vieren we hoe, met de uitstorting van de Heilige Geest, de kerk wordt geboren. De Joden vierden op de Pinksterdag het feest van de Wet.

Als tijdens het eerste Pinksterfeest na de hemelvaart van Christus van overal uit de toenmalige beschaafde wereld de Joden bij elkaar zijn om zich te verheugen over de Wet, maakt God duidelijk dat deze alleen kan worden begrepen en gezien in het licht en vuur van zijn Heilige Geest.

Door al het tumult dat is ontstaan tijdens dit gebeuren houdt Petrus de eerste (geïmproviseerde) preek van de kerkgeschiedenis waardoor zich 3000 mensen bekeren. Helaas kwam het in de loop van de kerkgeschiedenis vaker voor dat na nog geen 3000 goed voorbereidde preken er minder dan 1 persoon zich bekeerde.

De kerk groeit in die periode Jeruzalem net zo snel als Internet nu en de ledenadministratie kon hun werk zonder computer haast niet overzien. Hierover staat in de Bijbel

en voortdurend waren zij elke dag eendrachtig in de tempel, braken het brood aan huis en gebruikten hun maaltijden met blijdschap en eenvoud des harten, en zij loofden God en stonden in de gunst bij het gehele volk. En de Here voegde dagelijks toe aan de kring, die behouden werden. Hand 2: 46-47

Later lezen we ook over Paulus dat hij de gewoonte had om als hij in een stad kwam waar hij nog niet eerder was geweest om daar aansluiting te zoeken bij zijn volksgenoten door naar de synagogen te gaan. Hij verkondigde dan in een serie van drie sabbatten het evangelie op grond van de tekst van het Oude Testament.

En hun weg nemende over Amfipolis en Apollonia, kwamen zij te Tessalonica, waar een synagoge der Joden was. En Paulus ging, zoals hij gewoon was, daar binnen en behandelde drie sabbatten achtereen met hen gedeelten uit de Schriften, Hand 17:1-2

Telkens zien we hierin hetzelfde patroon. Jezus was naar geboorte een Jood en zijn volgelingen waren Joden en hun eerste gehoor was dat ook .

Oei ik groei

In tegenstelling tot het secretariaat van de jonge kerk, dat vreesde onder hun werk te worden bedolven, vreesde de gevestigde geestelijke orde werkeloos te worden. Dat is iets waar doorgaans niemand blij mee is omdat je je dan moet gaan omscholen. Zij dachten de groeiende kerk met een politieke actie wel tot andere gedachten te kunnen brengen en besloten een paar van hun leiders te martelen en of te doden. Omdat Amnestie International nog niet bestond, kon je in die tijd maar beter maken dat je weg kwam. Veel van Jeruzalemse Christenen zochten politiek asiel in de landen eromheen.

Zo trok een van de diakenen na de verdrukking naar Samaria waar er een kerk om hem heen ontstond:

En Saulus verwoestte de gemeente, en hij ging het ene huis na het andere binnen en sleurde mannen en vrouwen mede, en hij leverde hen over in de gevangenis. Zij dan, die verstrooid werden, trokken het land door, het evangelie verkondigende. En Filippus daalde af naar de stad van Samaria en predikte hun de Christus. En toen de scharen Filippus hoorden en tekenen zagen, die hij deed, hielden zij zich eenparig aan hetgeen door hem gezegd werd. Want van velen, die onreine geesten hadden, gingen deze onder luid geroep uit en vele verlamden en kreupelen werden genezen; en er kwam grote blijdschap in die stad Hand. 8:3-8.

Nu was Filippus nog een recht geaarde Jood en ofschoon de Samaritanen wel een vreemde sekte was, hadden ze nog wel een beetje verwantschap met het jodendom. Een ander voorbeeld vinden we in de Bijbel over het ontstaan van een kerk in een ander land dan Israël.

Zij dan, die verstrooid werden door de verdrukking, welke in verband met Stefanus plaats vond, trokken verder tot Fenicie, Cyprus en Antiochie toe, zonder tot iemand het woord te spreken dan alleen tot de Joden.(Hand 11:19)

Help heidenen in de kerk

Toen veel van deze christenen Jeruzalem ontvluchtten ontstonden er rondom deze mensen groepen die hun boodschap geloofden. Een van die groepen ontstond in Antiochië en bestond vrijwel uitsluitend uit heidenen.

Doch er waren onder hen enige Cyprische en Cyreense mannen, die, te Antiochie gekomen, ook tot de Grieken spraken en hun de Here Jezus predikten. En de hand des Heren was met hen, en een groot aantal kwam tot het geloof en bekeerde zich tot de Here (Hand.11:20-21)

In de situatie van Antiochië getuigde de gemeente van een stuk nuchtere daadkracht en stuurde er zonder problemen te maken een tweetal mannen heen die de boel daar hielpen op poten te zetten.

Ze redeneerde simpel in termen: “als God zijn Heilige Geest over die mensen uitstort, wie zijn wij dan om hier problemen over te maken?”

En het bericht daarvan kwam de gemeente van Jeruzalem ter ore en zij vaardigden Barnabas af naar Antiochië. Toen deze aankwam en de genade Gods zag, verheugde hij zich en wekte allen op om naar het voornemen van hun hart de Here trouw te blijven; want hij was een goed man, vol van de Heilige Geest en van geloof. En een brede schare werd de Here toegevoegd. En hij vertrok naar Tarsus om Saulus te zoeken; en toen hij hem gevonden had, bracht hij hem naar Antiochië. En het geschiedde, dat zij een vol jaar in de gemeente gastvrij ontvangen werden en een brede schare leerden en dat de discipelen het eerst te Antiochië Christenen genoemd werden.(Hand. 11:22-25)

Maar er was wel iets gebeurd waar je op verschillende manieren over kon denken.

Wat moest de jonge kerk hiermee: Moesten die bekeerlingen dan ook Joods worden? Moesten zij zich ook laten besnijden? Moesten zij zich ook aan de Wet van het Oude Testament houden? Het was een van de eerste theologische problemen waar de jonge kerk mee werd geconfronteerd en het veroorzaakte dan ook regelmatig onenigheid op het zendingsveld van die dagen.

God geeft opdracht om naar de heidenen te gaan

Dat de heidenen niet per ongeluk in de kerk terecht kwamen blijkt ook uit de geschiedenis van Petrus en Cornelius. God geeft Petrus zelf opdracht om naar de heidense volken te gaan om er het evangelie te prediken. We lezen hierover in Handelingen 10 dat Cornelius een engel op bezoek krijgt die hem opdraagt Petrus uit te nodigen om het evangelie uitgelegd te krijgen. Petrus krijgt een visioen vlak voor de boodschappers van Cornelius bij hem arriveren. Hij ziet dan allerlei onreine dieren die in een laken uit de hemel neerdaalden en hoort God hem de opdracht geven hiervan te slachten en te eten. Dit wil Petrus niet omdat hij weet dat het verboden is bij de Wet van God om onreine dieren te eten. Dit tafereel herhaalt zich een aantal keer en God houdt Petrus voor dat dat wat Hij voor rein heeft verklaard niet door een mens als onrein mag worden beschouwd. Als de boden van Cornelius dan aankloppen begrijpt Petrus de bedoeling van dit alles en gaat mee.

Het kost de eerste christenen aanvankelijk veel moeite om ook heidenen (niet-joden) in hun midden op te nemen. Toch was het zeer duidelijk dat dit wel Gods wil was. Nog afgezien van de geschiedenis van Cornelius was het duidelijk dat er heidenen waren die Jezus wilde volgen. Net zo goed als dat die er waren die Joods, of spaar me de gedachte, Joden die heiden wilde worden in die tijd. Was het evangelie oorspronkelijk een Joodse aangelegenheid en waren de eerste volgelingen van Jezus ‘gewoon’ Joden die hun beloofde Messias hadden erkend en besloten Hem te volgen, wat moesten ze nu met die wetteloze heidenen in de kerk?

Toch werd dit naarmate de kerk groter werd, moeilijker te beheersen. Waren de verschillen in inzicht oorspronkelijk tussen personen, al snel werden dit groepen en groepen zijn nu eenmaal (nog) lastiger te overtuigen dan personen. Er werden zelfs al namen voor deze groepen gebruikt. Paulus had het over de Judaïsten als de mensen die vonden dat heidenen die Christus wilde volgen zich ook moesten besnijden en de Wet moesten volgen.

De vraag was dus oorspronkelijk wat moesten we nu met de heidenen in de kerk. Er ontstonden dus partijen rondom deze vraag.

Het verlossende woord moest worden gesproken op een speciaal congres in Jeruzalem. In Handelingen 15 staat hiervan het verslag.

En sommigen, uit Judea gekomen, leerden de broeders: Indien gij u niet besnijden laat naar het gebruik van Mozes, kunt gij niet behouden worden. En toen er van de zijde van Paulus en Barnabas geen gering verzet en tegenspraak tegen hen ontstond, droegen zij Paulus en Barnabas en nog enigen van hen op zich tot de apostelen en oudsten te Jeruzalem te begeven naar aanleiding van dit geschil. (Hand. 15:1-2)

Na verschillende argumenten te hebben gehoord wordt er een besluit genomen. Jakobus besluit als leider van de vergadering het probleem als volgt op te lossen:

Daarom ben ik van oordeel, dat men hen, die zich uit de heidenen tot God bekeren, niet verder moet lastig vallen, maar hun aanschrijven, dat zij zich hebben te onthouden van wat door de afgoden bezoedeld is, van hoererij, van het verstikte en van bloed.(Hand. 15:19-20)

Na veel getob was de kerk er dan uit: De heidenen hoefde niet de Wet van Mozes te houden om toch Christus te kunnen volgen, als ze zich maar onthielden van de meest elementaire zonden.

Help Joden in de kerk

We zijn dan nu weer aangeland in het Rome van na 55 nC. en zien dat de heidenen en de Joden nog niet veel verder zijn gekomen dan de vraag wie van hun nu de beste is.

Tot de wet van Claudius waren de Joden de autoriteit in de kerk. Zij waren als eerste tot geloof gekomen en misschien waren er zelfs wel bij die Jezus en Johannes de doper hadden gekend. Aan gezag geen gebrek dus. Maar de laatste 5 jaar had de gemeente het zonder hen ook heel aardig gered en was kennelijk prima in staat zonder dat stuk gezag te functioneren. Daar waren de Joden natuurlijk wel blij om, maar ze waren ook niet echt gelukkig. Het is immers aan de ene kant het verlangen van iedere goed geestelijk leider om te zien dat de volgelingen op eigen benen kunnen staan, maar aan de andere kant is het niet leuk om gemist te kunnen worden.

Dit was de bodem voor het spanningsveld. De teruggekomen Joodse leiders vonden dat zij veel beter dan de heidense gelovigen in staat waren leiding te geven aan de gemeente: zij hadden immers de traditie en de kennis van Gods Wet, zij wisten als geen ander hoe het allemaal moest. Maar, zo redeneerde de heidense christenen, zo goed zijn jullie nu ook weer niet, immers, jullie hebben ook Christus gekruisigd.

De situatie van de kerk was nu in Rome zo veranderd, dat eerst de vraag was: “wat moeten we met de heidenen in de kerk” maar nu was hij geworden: “wat moeten we met die Joden in de kerk”.

Hoe moest dit nu worden opgelost? Gelukkig leefde Paulus nog en die wist van de situatie en schreef in een helder betoog hoe het nu zat. Ofschoon de kerkgeschiedenis leert dat de heidenense christenen deze brief wat dat aspect betrof zeer slecht heeft begrepen. De Romeinse postbode heeft zojuist deze brief afgeleverd welke we nu gaan lezen.

vragen

1. Kan je begrijpen waarom de twee groepen (Joden en christenen) moeite met elkaar hadden in Rome?
2. Welke advies zou jij de heidense christenen in Rome geven?
3. Welk advies zou jij de Joodse christenen geven?
4. Heb jij moeite met bepaalde ‘soorten’ christenen? En zo ja waarom?

 

Hoofdstuk 2

Indeling van de brief

De indeling van de brief

We weten nu dat de aanleiding van het schrijven van de Romeinenbrief was gelegen in de vraag hoe Joden en heidenen met elkaar om moeten gaan. Maar hoe maakt Paulus dat dan duidelijk, wat is zijn betoog, waarmee denkt hij de gekwetste terugkerende Joden en de arrogante heidenen uit elkaar te houden?

Paulus’ betoog is tamelijk eenvoudig, en de indeling van de brief is helder. Tijdens het lezen van de brief merk je daar echter niets van. Hoe de lay-out van de oorspronkelijke bief er heeft uitgezien weten we niet meer maar het is niet waarschijnlijk dat Paulus er een hoofdstuk- en versindeling bij heeft geschreven. Ook de indeling in kleinere stukjes met een titel erboven (welke wij perikopen noemen) is iets van latere datum. Deze perikoopindeling, die als doel heeft de tekst begrijpelijker te maken heeft helaas dikwijls het tegenovergestelde effect. Omdat je als lezer de neiging hebt om de teksten van de perikopen en de titels ervan in elkaar verlengde te zien, raak je als beginnende lezer in de war. Toch is het mogelijk de boodschap terug te vinden, want het is zelfs mij gelukt. De eerste keer dat ik de brief las snapte ik er geen biet van en kon me niet voorstellen wat voor ingewijde geestelijke mensen die bewoners van Rome waren dat ze zo’ n stuk tekst als brief kregen afgeleverd en deze kennelijk ook nog begrepen. De brief was, zoals hij op mij overkwam, een bonte verzameling uitspraken. Op zich allemaal waar maar zonder enig verband. Ervan uitgaande dat de Bijbel Gods Woord is, kon ik mij niet voorstellen dat God niet meer verband in de teksten zou hebben aangebracht. Ik heb toen de brief op een (veel te) lange zonvakantie zeven keer achter elkaar zonder er al te lang bij na te denken van voor naar achter en terug door gelezen, waarna de puzzel op zijn plaats viel.

Deze indeling zien we ook in de indeling van de hoofdstukken van deze studie tot uitdrukking komen. Omdat de hoofdstuk en vers-indeling van ondergeschikt belang is worden deze (voor hen die het nu al willen controleren) achter de tekst geplaatst.

Eerste overeenkomst tussen Joden en niet-joden

Paulus begint met vast te stellen wat de overeenkomsten zijn tussen de Joden en de niet-joden. En deze overeenkomst is, behalve veel culturele verschillen en een groot verschil in hun traditie om God te dienen, dat zij evenveel mens zijn en in relatie tot God even zondig (schuldig) zijn. Hoewel het Jood-zijn en de Wet wel degelijk voordelen had. God had de Joden immers Zijn Woord toevertrouwd. (Hierover gaat het van Romeinen hoofdstuk 1 vers 1 tot hoofdstuk 3 vers 20)

Tweede overeenkomst tussen Joden en niet-joden

Behalve dat de Joden zowel als de niet-joden zondig zijn geldt ook voor hen beide dat ze even veel moeten rekenen op Gods genade om hun hun zonden te vergeven. Paulus maakt duidelijk dat God ons graag onze zonden vergeeft. God geeft ons niet toegang tot Zijn troon op grond van een door ons vermeend recht, omdat wij zo goed geleefd zouden hebben. Hij vergeeft ons deze zonden op grond van ons vertrouwen in Hem.

Als voorbeeld geeft Paulus Abraham. Abraham werd door God als vriend beschouwd omdat Abraham op God vertrouwde en deed wat God van hem vroeg omdat hij God vertrouwde. Dit voorbeeld zal het Joodse deel van de gemeente in Rome zeker hebben begrepen. ( Hierover gaat het van Romeinen hoofdstuk 3 vers 21 tot en met hoofdstuk 4)

Wat is nu in zijn algemeen het voordeel hiervan?

Nu weet de gemeente dat ze in hun relatie tot God, waar het hun daden betreft, schuldig zijn. Ook weten ze dat God hun die schuld graag vergeeft als ze, in bescheidenheid en spijt hierover, God erom vragen. Maar wat heb je hier nu verder aan? Wat is het resultaat van dit alles voor hen? Of om in de gedragen taal van de bijbelvertalers te blijven: Wat is nu de vrucht van de rechtvaardiging?”

Wat je er aan hebt dat je weet dat je een zondaar bent, wat je er aan hebt dat God je graag deze zonden wil vergeven en wat je er aan hebt dat je net als Abraham in een daad van geloof besluit te doen wat God van je vraagt: dat is de kern van het evangelie. En deze kern van het evangelie of de vrucht van de rechtvaardiging is dat we vrede hebben met God. Dat wil zeggen dat we met God om kunnen gaan zonder bang voor Hem te hoeven zijn. In het na-christelijke Westen spreekt dit veel mensen niet zo veel meer zo aan het christendom hen heeft afgeleerd om bang te zijn voor God. Maar zeker in de antieke wereld en de wereld van het animisme en die van de voorouderverering moesten er voortdurend (soms gruwelijke) offers worden gebracht om de meest gruwelijke goden te vriend te houden. Ook in het jodendom was er erg de nadruk op de offerdienst komen te liggen.

Samengevat stelt Paulus

Door de ongerechtigheid van één persoon, Adam, is de zonde, en door de zonde de dood, in de wereld gekomen,. Omdat wij allen kinderen van Adam zijn is deze zonde aan ons allen doorgegeven.

Maar zoals door de ongehoorzaamheid van één persoon, Adam, de zonde in de wereld is gekomen, zo is de verlossing van de zonde ook door één persoon, Christus, gekomen. We zijn dus als mens, als kinderen van Adam geboren zoals hij was: een mens aan wie de gevolgen van de zonde kleven. We kunnen echter opnieuw geboren worden als kind van Christus en zo zonder zonden zijn, omdat Hij dat was en leven omdat Hij opstond uit de dood en daarom leeft.

Dat verhaal van de wedergeboorte is een beetje lastig omdat we eerst dood moeten zijn om opnieuw geboren te kunnen worden. Nu is doodgaan nog wel iets wat we voor elkaar kunnen krijgen maar levend worden is nog een probleem. Daarom heeft Christus dat voor ons gedaan. Symbolisch moeten wij alleen bevestigen dat wij ons verbinden met Christus in zijn sterven en opstanding door de doop. In hoofdstuk 6 schrijft Paulus dan over de doop.

Als wij ons laten dopen, dan laten we zien dat we door onder water te gaan, belijden in de dood (waar het water symbool voor staat) onder te gaan. Het weer uit het water opgericht te worden symboliseert het op staan uit de dood.

Alles leuk en aardig maar hoe nu verder

Het lijkt wel of de problemen nu pas beginnen. Aan de ene kant heeft Christus ons vrijgemaakt van de zonde en van de dood en hoeven we niet meer te zondigen, aan de andere kant echter merken we dat de lastige mens dat nog niet zo goed lijkt te weten. Zolang we nog op aarde wonen zijn we niet ongevoelig voor de verleiding van zonde. Ook al weten wij nu dat het slecht is om anders te doen dan God voorschrijft, wij kunnen de begeerte soms maar moeilijk weerstaan. Deze ellendige innerlijke strijd noemt Paulus de strijd tussen vlees en geest in Romeinen 7 en hij besluit dan in Romeinen 8 dat we die strijd met onze geest alleen kunnen winnen door de kracht van Gods Heilige Geest.

Dit is de belangrijkste boodschap van de Romeinenbrief. De Joden en de heidenen weten nu hoe ze ervoor staan en dat ze beide geen enkele reden hebben om zich beter te voelen dan de andere groep. Toch wil Paulus hier niet eindigen. Er is nog wel wat meer te zeggen over het Joodse volk.

Hoe zit het dan met de Joden

Hebben ze als Gods volk afgedaan? Als er dan voor God geen verschil bestaat tussen Joden en heidenen omdat ze beiden even zondig zijn en beide even hard het offer van Jezus nodig hebben om hun zonden te verzoenen voor God. Wat moeten we dan nu nog met het volk. Of in Europese termen te speken is er een Jodenprobleem?

Over dit gedeelte gaat het in Romeinen 9 tot 11 en de brief sluit af met een aantal regels, mededelingen en persoonlijke groeten van Paulus van hoofdstuk 12-16

Vragen

1. Is er iets wat je aanspreekt in de tekst van de brief zoals je hem zo leest? 2. Herken je bepaalde dingen?
3. Interesseer je je voor de gebeurtenissen rondom Israël in het nieuws?
4. Wat weet je allemaal van Israël?
5. Denk je dat God een bedoeling heeft met dit volk?

Hoofdstuk 3

Wat is zonde (Romeinen 1:18-3:21)

Paulus schrijft deze brief, zoals we in de vorige hoofdstukken hebben gezien, aan de kerk in Rome tegen de achtergrond van de vraag, of christenen uit het Joodse volk nu betere of slechtere christenen zijn dan zij uit de heidense volken. Om het antwoord op deze vraag te onderbouwen begint hij met vast te stellen wat hun gemeenschappelijke uitgangspunt is en dit is hun zondige positie tot God.

Zonde is een van de meest slecht begrepen onderwerpen van deze tijd en daar zullen we in de volgende twee hoofdstukjes eens verandering in brengen. Na het lezen daarvan weet je alles over zonde wat je altijd al had willen weten. Het heeft voordelen om het hierna volgende hoofdstuk samen met dit te lezen. Dit is erg kort en het volgende is iets langer. In 10 minuten kun je dit, en in 20 minuten het volgende hoofdstuk lezen. Dus in minder dan een half uur weet je alles over een heel onderwerp. Lijkt me een eitje voor je. Eigenlijk horen deze twee ook bij elkaar maar zijn vanwege de lengte gesplitst en om het volgende nu weer te splitsen leek een beetje te veel van het goede. Dat zou je als een ernstige onderschatting van je mentale capaciteiten kunnen opvatten en jou reactie daarop zou ik niet durven riskeren.

Waaraan denk je bij het woord zonde?

Volgens het woordenboek (Koenen 1980) is zonde iedere vrijwillige overtreding van goddelijke of zedelijke wetten. Het besef van goddelijke en zedelijke wetten wordt, in vergelijking tot 50 jaar geleden, in onze tijd tamelijk ruim genomen. Het zou dan ook interessant zijn om de antwoorden op de vraag naar wat zonde is onder de huidige generatie eens te vergelijken met die van bijvoorbeeld 50 jaar geleden.

Maar hoe je het ook wendt of keert, zonde is overtreden en overtreden is niet goed. En wie onder ons overtreedt niet zo nu en dan (graag) een gebod? Maakt deze drang tot overtreden van wetten de mens dan in wezen tot een niet-goed schepsel? Of met andere woorden: “Is de mens zondig?”

Is de mens in wezen goed of slecht?

Als je je afvraagt of de mens zondig is voel je de weerstand opkomen om alle goede eigenschappen die de mensen hebben in één klap weg te vagen door het etiket zondig op hem te plakken. Je hoeft dan ook niet lang na te denken om mensen in je herinnering te roepen waar je veel van houdt en die je niet graag zou willen definiëren als zondaar. In tegendeel zelfs, sommigen zijn haast heiligen of op zijn minst engelen. Je denkt al snel aan mensen die met vallen en opstaan hun best doen om een goed medemens te zijn, en moet je die om hun onvolmaakte poging zondaar noemen? “Ben je helemaal be…, ze zijn dan wel niet volmaakt, maar ze zijn in elk geval veel beter dan die schijnheilige lieden die altijd in de kerk zitten” hoor ik je al denken. Hoe zit dat nu? Is de mens goed?

“Ja” zegt de ene, “de mens is in de kern van zijn bestaan goed en het kwade (zonde) wordt in hem opgewekt door zijn omgeving”. Velen gaan daarin zover om in navolging van de boeddhistische leer, de mens zelfs een goddelijke vonk toe te schrijven. Waarom al die miljoenen vlammetjes niet in staat zijn de aarde te ‘verwarmen’ komt volgens die mensen door de grote boze wereld, hun slechte karma en de slechte andere mensen om hun heen. Is de mens dan toch niet goed, is hij of zij zelfs in wezen slecht?

“Ja” zegt de ander enthousiast, “er brandt helemaal geen goddelijk vonkje in de mens, er brandt een hartstochtelijk vuur voor alles wat de mens kan gebruiken om er zelf beter van te worden”. Volgens hem wordt de mens in zijn streven gedreven door zijn eigenbelang en daarbij gaat hij, als het moet (of als niemand het merkt) desnoods over lijken.

Het wordt er al met al niet duidelijker op: waarom zegt de ene nu dit en de ander dat? Is de mens dan zo ingewikkeld dat je twee tegengestelde dingen over hem kunt zeggen? Kan iets nat en gelijk droog te gelijk zijn of wit en zwart tegelijk of goed en slecht te tegelijk? Misschien zit het ingewikkelde hiervan wel in de veelzijdigheid van de mens. De mens heeft zoveel verschillende kanten die ook nog eens bij iedereen behoorlijk kunnen verschillen.

De meeste van jullie zullen wel eens van het liedje: Altijd is Kortjakje ziek, hebben gehoord. Kortjakje had een tweelingzusje, Kortjackje, die liever naar de kroeg dan de kerk ging, maar wel net zo dikwijls ziek was als zij. Laten we Kortjackje eens als voorbeeld nemen om duidelijk te krijgen hoe het goede en slechte zich in de mens tot elkaar verhouden.

Altijd is Kortjackje ziek

Misschien kennen sommigen dit liedje van vroeger nog wel. “Altijd is Kortjackje ziek, midden in de week maar in het weekend niet. In het weekend gaat zij stappen om door de week weer op te knappen.”

Laten we Kortjackje even observeren door de week. Ze is ziek. Het duurt niet zo lang meer want het is al vrijdagmiddag, maar ze is het nu nog helemaal. Laten we haar eens volgen bij de dokter. Dikke kans dat de dokter na een vluchtig onderzoek vast kan stellen dat er niets met het beste meisje aan de hand is. Maar stel dat de dokter nu wel iets vindt. En stel dat dat wat hij vindt wel zo erg is dat ze er dood aan kan gaan.

Ga er eens vanuit dat de dokter een hartkwaal bij Kortjackje heeft ontdekt. Op een kwade maandagmorgen, wanneer ze zich toch al op haar slechts voelt, komt ze op het spreekuur om de uitslag van het onderzoek te horen te krijgen. De dokter kijkt op die regenachtige dag zeer geleerd in de onderzoeksresultaten, haalt diep adem en zegt: “beste Kortjackje, ik heb nog nooit iemand gezien die zulke mooie, schone longen heeft als jij en dat gecombineerd met een leverfunctie die zeldzaam goed is, mag ik je feliciteren, dit is werkelijk buitengewoon”.

Je begrijpt al, dit kan een dokter natuurlijk niet maken. Hij mag natuurlijk wel onder de indruk zijn van de zeldzaam goede conditie van de gezonde organen van zijn patiënt maar hij moet zicht concentreren op de organen die slecht functioneren anders gaat Kortjackje, ondanks al haar goede organen, hartstikke dood en is het liedje voor altijd uit.

Kortom: is de mens nu goed of in wezen slecht?

De mens is niet goed of slecht, maar een schepsel gemaakt door God naar Zijn eigen beeld en gelijkenis. Een schepsel dat daarom herinnert aan zijn goede Schepper maar ook een schepsel dat besmet is door het virus van de zonde.

Als hij hiervan niet van wordt genezen gaat hij na zijn sterven voor eeuwig dood. En als hij tijdens zijn aardse leven door bijvoorbeeld een traumatische ervaring of aanleg de controle over deze zonde kwijtraakt kunnen er akelige dingen met hem, of zijn omgeving gebeuren.

De diagnose van Paulus over de Romeinen

Paulus is er niet op uit om de Romeinse christenen stroop om de mond te smeren maar om hen te helpen het probleem op te lossen wat is ontstaan. Dan mag de mens nog zo creatief en origineel zijn, de mens is ook zondig . Het evangelie gaat in eerste instantie over zonde en vergeving en niet over het nóg meer kunnen genieten van de goede dingen van het leven. Je kunt dus niet over het evangelie spreken zonder ook over zonde te spreken.

Paulus begint er daarom mee om de overeenkomst van Joden en niet-joden te benadrukken in hun zonde. Hij concludeert na zijn betoog:

Alle mensen hebben gezondigd en missen daardoor Gods nabijheid. Romeinen 3:23

Wat moet je nu van zonde denken en waar moet je ze zoeken?

Moet je afdalen naar de krochten van de samenleving om zondaren te ontmoeten, vindt je zondaren alleen in de georganiseerde misdaad, de drugsdealers, moordenaars, verkrachters en nog erger? Of moet je de zonde zoeken in de krochten van je ziel? Schuilt er achter iedere vrolijke vader een verrader en achter elke puistige puber een potentiële pusher? Nee, maar de praktijk leert dat het wel samen kan gaan en dat soms mensen van wie je het het minst verwacht de (ernstigste) zonden kunnen begaan.

Hoe zijn we als individueel mens aan de zonde gekomen?

Zonde is, zo stelde we hierboven al vast, net als een virus die ons ooit gezonde leven heeft aangetast. Sinds dat is gebeurt sterven de mensen. Als iemand is besmet met een ziekteverwekkend virus betekent dat niet dat al de functies even ernstig zullen worden aangetast of dat dit komt omdat die persoon zo slecht was. Hij is al dan niet door zijn eigen schuld hiermee besmet en als hij niet geneest, zal hij er uiteindelijk aan overlijden. Zoals veel kinderen van HIV- besmette ouders worden geboren met AIDS, zo worden alle kinderen geboren met het zondevirus. Omdat de zonde heel erg ‘besmettelijk’ is, ontkomt niemand hieraan en omdat al onze ouders hiermee besmet waren, hebben wij het allemaal overgeërfd.

Hoe heeft het zondevirus de mensheid kunnen besmetten?

Daar is de Bijbel heel duidelijk over. Toen God de mens schiep, was hij en zijn vrouw vrij van elke vorm van het zondevirus. Er was niets waar ze zich voor hoefde te schamen en niets waarvoor ze bang hoefde te zijn. God schiep de aarde, de planten, bomen, dieren, en de mens. Hij creëerde een tuin op de aarde en liet de mens daar wonen. Er was overvloed en het leven was goed. In de tuin stonden twee bomen waar iets mee was. De ene was de boom des levens en de andere was de boom van kennis van goed en kwaad. Adam had de keuze tussen leven en hij had de keuze voor kennis over goed en kwaad. God had hem niet geboden wel of niet voor het leven te kiezen, Hij had hem wel verboden van de boom van kennis van goed en kwaad te eten. Zo staat het in de Bijbel:

De slang was listiger dan alle andere dieren, die de HERE God had gemaakt. Hij zocht de vrouw op en vroeg: “God heeft jullie zeker wel verboden van de bomen in de hof te eten, hè?” “Nee hoor”, antwoordde de vrouw, “wij mogen van alle bomen eten, behalve van die in het midden van de hof. Wij mogen hem zelfs niet aanraken, want dan zullen wij sterven.”

“Dat is een leugen”, zei de slang, “je zult niet sterven. God zegt dat alleen, omdat Hij weet dat jullie aan Hem gelijk zullen zijn als je daarvan eet. Je ogen zullen open gaan en evenals God zul je het onderscheid kennen tussen goed en kwaad.”

De vrouw liet zich ompraten. Zij keek naar de boom en zag dat de vrucht eetbaar was en er prachtig uitzag. Die vrucht kon haar verstandig maken! Ze plukte wat vruchten en at ervan. Zij gaf ook haar man van de vruchten en hij at er ook van.

Toen zij dat hadden gedaan, viel het hun opeens op dat ze naakt waren en zij schaamden zich. Van bladeren van een vijgeboom maakten ze schortjes en hingen die om hun middel. Die avond hoorden zij de HERE God door de hof wandelen en zij verborgen zich snel tussen de bomen. De HERE God riep: “Adam, waar ben je?” Adam antwoordde benepen: “Ik hoorde U en toen werd ik bang, want ik wilde niet dat U mij naakt zou zien. Daarom verstopte ik me.” “Wie heeft je verteld dat je naakt bent?” vroeg de HERE God. “Of heb je soms gegeten van de boom waarvoor Ik jullie had gewaarschuwd?” “Ja”, bekende Adam, “maar de vrouw die U mij hebt gegeven, heeft de schuld. Zij heeft mij ervan gegeven en toen heb ik ervan gegeten.” De HERE God wendde Zich tot de vrouw en vroeg: “Hoe kon je dat nu doen?” Maar ook zij schoof de schuld van zich af. “De slang heeft mij bedrogen en verleid”, zei zij.

(…) Tegen Adam zei Hij: “Omdat je naar je vrouw hebt geluisterd en ondanks mijn waarschuwing toch van de boom hebt gegeten, zal Ik de aardbodem vervloeken. Voortaan zul je hard moeten werken om in leven te blijven. Er zullen dorens en distels groeien en je zult de gewassen van het veld eten. Tot de dag van je dood zul je zwetend het land bewerken om te kunnen leven. Dan zal je lichaam vergaan tot het stof van de aarde. Want uit stof ben je gemaakt en tot stof zul je weer worden.” (Genesis 3:1-19)

Met andere woorden: God had Adam verboden van de boom van kennis van goed en kwaad te eten en hem gewaarschuwd tegen het zondevirus. Toch koos Adam, tegen Gods gebod in, voor het risico van het virus omdat hij dacht dat hij er beter van zou worden. Hij kwam er niet meer van af. Hij, noch zijn nageslacht was instaat zichzelf van het virus te ontdoen.

De symptomen van deze ziekte zouden de mens altijd blijven achtervolgen. En deze symptomen noemt de Bijbel zonden. Daarover gaat het in het volgende hoofdstuk. Als je dat uit heb weet je precies wat je wel en wat je niet moet doen.

Vragen:

1. Hoe denk je zelf over zonde?
2. Herken je dat je een zondaar bent?
3. Wanner is iemand in jou ogen een GROTE zondaar?
4. Waarom zou het erg zijn dat je een zondaar bent?
5. Is God rechtvaardig als hij de zondaar oordeelt?

Hoofdstuk 4 Wat zijn zondige daden (Romeinen 1:18-3:21)

Kort samengevat zijn we tot nu toe in deze studie Paulus’ poging aan het volgen als hij bezig is de kloof te dichten tussen de Romeinse christenen uit de Joden en de christenen uit de heidenen. Hiermee bezig ontdekken we dat het eigenlijk onmogelijk, ongepast en zeer ongeestelijk is om onderscheid te maken tussen gelovigen op grond van geboorte. Immers, we zagen al eerder dat Paulus ons voorhoudt:

Alle mensen hebben gezondigd en missen daardoor Gods nabijheid. Romeinen 3:23

We hebben in het vorige hoofdstuk bekeken hoe we dit moeten begrijpen en hoe dit komt. Dat mensen zondigen.

We weten nu dat de mens is besmet met wat we in het vorige hoofdstuk het zondevirus noemde en dat dit virus symptomen heeft die de Bijbel ook zonden noemt. Over die symptomen gaan we het in dit hoofdstuk hebben.

Zonden als symptomen van ons met het zondevirus besmette wezen

Doorgaans zijn we erg dubbel in wat we van zonden denken. Aan de ene kant weten we dat het niet goed is. Aan de andere kant is er het beeld van de zonden die spanning geven en het leven leuk maken. Mensen die niet zondigen zijn heilige boontjes die nooit iets spannends doen en altijd (jek) lezen. Dat is toch dikwijls de gedachte die mensen onwillekeurig hebben over zonden. Maar hoe zit het nu allemaal? Nu is het, zelfs voor mij, bijna ondoenlijk om dit onderwerp uitputtend te behandelen maar we zullen er toch maar een begin mee maken. Om het onderwerp te behandelen zal:

Kort stil worden gestaan bij de argumenten die Paulus aanhaalt om de gemeente duidelijk te maken wat hij bedoelt;

Daarna gaan we even stil staan bij een manier van denken over zonden en genieten van de goede dingen van het leven en dan zullen er nog;

Een drietal actuele veronderstelde ‘zondenprofielen’ worden geschetsen. Dit zijn: het seksuelezondenprofiel, het genotsmiddelenzondenprofiel en het uitgaanslevenzondenprofiel. Het is een hele kluif maar het zou zonde zijn om niet verder te lezen.

1. Paulus statement: Wat zegt Paulus over de zondige aard van de mens. Lees maar.

Romeinen 1 vers 18 tot 3: 12

Zonde 1 goddeloosheid van de heidenen: zij die zonder (Wet van) God leven. Vanuit de hemel straft God alle slechte, zondige mensen, die de waarheid niet willen accepteren. Want die mensen kunnen heel goed weten dat God er is. Hij heeft het hun Zelf bekendgemaakt. God is wel onzichtbaar, maar Zijn werk (alles wat Hij heeft geschapen) bewijst Zijn eeuwige kracht. Want sinds het ontstaan van de wereld is Zijn bestaan duidelijk te herkennen uit wat Hij gemaakt heeft. Daarom hebben de mensen geen enkele verontschuldiging. (Romeinen 1: 18-20)

Zonde 2 afgoden van de heidenen

Hoewel de mensen in staat waren God te kennen, wilden zij Hem niet de eer geven die Hem toekomt en Hem niet eens danken voor alles wat Hij heeft gedaan. Zij hielden zich met allerlei ideeën bezig. In hun verdwazing raakten zij het spoor bijster. Hoewel zij dachten dat ze alles wisten, waren zij in werkelijkheid dom. In plaats van de eeuwige God te eren, maakten zij afgodsbeelden van sterfelijke mensen, vogels, zoogdieren en reptielen. (Romeinen 1:21-23)

Zonde 3 seksuele zonden van de heidenen

Daarom liet God hen een speelbal worden van hun eigen onreine begeerten, zodat hun lichamen misbruikt en onteerd werden. Zij ruilden Gods waarheid in voor de leugen. Zij vereerden de dingen die God gemaakt heeft in plaats van God Zelf. (…). Daarom heeft God hen losgelaten en zijn hun slechte begeerten hun de baas geworden. Het is zelfs zo erg dat de vrouwen zich van een natuurlijk seksueel leven hebben afgekeerd en op tegennatuurlijke wijze met elkaar omgaan. En met de mannen is het al even erg. Die willen niets meer weten van een natuurlijke seksuele omgang met vrouwen, maar branden van begeerte naar elkaar. Mannen die schandelijke dingen doen met andere mannen! Zij ondervinden in hun diepste wezen de gevolgen van hun afdwalen van God. Omdat zij niets van God wilden weten, heeft God hen overgelaten aan alles wat in hun verdorven gedachten opkomt. Zij gaan zich te buiten aan allerlei onbehoorlijke dingen. (Romeinen 1:24-28)

Zonde als bron van kwaad

Zij zitten vol onrechtvaardigheid en misdaad, vol hebzucht, kwaadaardigheid en jaloezie. Zij zijn uit op moord, ruzie, list en bedrog. Gemeen als ze zijn, houden zij van roddel en kwaadsprekerij. Zij haten God. Het zijn brutale, verwaande opscheppers. Ze weten altijd wel iets slechts te bedenken en zijn hun ouders ongehoorzaam. Zij zijn onverstandig en onbetrouwbaar, ongevoelig en genadeloos. Zij weten dat God dit niet kan toestaan. Want wie zoiets doet, verdient de eeuwige dood. Maar toch doen ze het. Erger nog: Zij vinden het prachtig als anderen eraan meedoen. (Romeinen 1: 29-32)

Zonde van de Joden: Weten hoe het moet en het niet doen is mogelijk nog erger

En u, die er trots op bent Joden te zijn, vertrouwt op de geschreven wet van God! U bent er trots op dat u de enige, ware God kent en weet wat Hij wil. Omdat u onderwijs uit de wet krijgt, kunt u onderscheiden wat goed is. (…) Maar wat doet u zelf? U zegt dat u een grote afkeer van afgoden hebt. Toch hebt u uw eigen afgod: het geld! Want u berooft de tempel! U gaat er prat op Gods wet te kennen. Maar waarom maakt u God dan te schande door Zijn wet te overtreden? (Romeinen 2:17-23)

Wat is dan het nut van het Joodse volk?

Is het dan niet belangrijk om Jood te zijn? Wat heeft de besnijdenis dan voor nut? Veel! In alle opzichten! In de eerste plaats omdat God Zich juist aan de Joden heeft bekendgemaakt. Hij heeft hun Zijn woorden toevertrouwd. Als sommigen van hen ontrouw zijn geweest, zal God daardoor dan ook ontrouw worden? Wil ik hiermee zeggen dat wij als Joden beter zijn dan de andere volken? Nee, absoluut niet. Ik heb al eerder gezegd dat alle mensen, Jood of niet-Jood, schuldig zijn. Ze worden allen beheerst door de zonde. (Romeinen 3:1-3,9)

Allen: zowel Joden als heidenen zijn zondig

Het staat zo in de Boeken: “Voor God is niemand rechtvaardig, werkelijk niemand. Er is niemand verstandig. Er is niemand die echt zijn best doet om God te vinden. Alle mensen hebben zich van God afgekeerd; zij zijn met elkaar de verkeerde weg opgegaan! Niemand doet wat goed is, zelfs niet één. (Romeinen 3:10 -12)

Paulus laat er geen misverstand over bestaan of mensen zondaren zijn. Toch vraagt een en ander misschien praktische toepassing. Het is misschien nog wel voor te stellen dat wat Paulus hier over de Joden zegt nu op kerkbezoekers kan worden toegepast. Immers zij ontheiligen, als zij zondigen op dezelfde wijze, Gods naam, als wanneer de Joden dat vroeger deden. Maar aan de andere kant, wat zeggen afgodsbeelden en tempelroof ons nu nog?

Wat zijn de dingen waar we ons nu zorgen over moeten maken? Hieronder zullen we daar bij stil staan.

2. Is genieten van leuke dingen van het leven zondig?

Aan het eind van de jaren zeventig was ik getuige van een nieuw fenomeen: punk. Punk was een uitdrukking van jongelui die overal schijt aan hadden. Ze staken veiligheidspelden door hun wangen, liepen in kleren vol gaten en zo bij elkaar gezocht dat je ze wel lelijk moest vinden en maakte muziek die dat ook was. Ik herinner mij de definitie van een punkmuzikant op de vraag wat punkmuziek was toen nog: “zet vier muzikanten bij elkaar die geen noot kunnen lezen en laat ze dan lawaai maken op deze instrumenten”. Bekende bands als de Sexpistols, Iggy Pop, The Blockheads, Blony of Ian Jury zongen (of liever, riepen hun teksten) op lawaaierige klanken. Iran Dury zong toen onder ander het ‘liedje’: Sex and drugs and rock and roll is al my brain and body needs. En ik kan gerust stellen dat hij dit zong om provocerend te stellen dat hij een beest van een mens was die genoot van (in de ogen van vele) slechte dingen.

Kortom Punkers probeerden alles te doen (en doen dat nog) om maar te schoppen tegen de samenleving. In de ogen van veel christenen (en waarschijnlijk henzelf ook) waren zij vertegenwoordigers van het begrip zonde.

Maar wees eens eerlijk, om bij de tekst van Iran Dury “sex and drugs and rock and roll” te blijven: wat zou er niet leuker zijn dan een eeuwig feest met goede muziek en lekkere dranken en andere genotsmiddelen en …(?) Waar is dat feest….?

Talloos zijn de liedjes die verband leggen tussen zonde en plezier. Hoe zondiger hoe leuker. Omgekeerd lijken veel christenen te denken dat hoe meer plezier iets lijkt te geven, hoe zondiger het is. En eerlijk gezegd heeft de kerk er ook vaak aanleiding voor gegeven om alles waar we plezier aan beleven als slecht en zondig af te schilderen. Laten we dan op voorhand maar al vaststellen dat dit niet de boodschap van God is in de Bijbel. De Bijbel gaat een heel eind met Ian Dury mee in zijn punktekst. Sex, drugs en rock and roll zijn dingen die God aan de mens heeft gegeven om er heel veel plezier aan te hebben. Niet de punk maar God heeft dit uitgevonden: Prediker zegt hierover:

Jongeman, het is heerlijk om jong te zijn! Geniet van elke minuut! Doe alles wat u wilt; pak alles wat u krijgen kunt, maar vergeet niet dat u van alles wat u doet, ook verantwoording moet afleggen tegenover God. Prediker 11:9

Ban daarom ergernis uit, leef verstandig en bedenk dat uw jeugd, net als het morgenrood, snel voorbijgaat. Prediker 11:10

Het is geen zonde om te genieten van de goede dingen van het leven, het is juist zonde om mensen dat te onthouden.

Laten we de tekst van Iran Jury eens gebruiken als uitgangspunt voor onze studie: “Seks and drugs and rock and roll is al my brain and body needs”

Het gaat dan om:

1. seks 2. and drugs 3. and rock and roll

Drie zondenprofielen Een profiel geeft alleen de buitenlijn aan. De details moeten later worden aangevuld. Er zitten aan elk van deze genoemde onderwerpen zoveel facetten dat er alleen in het kort een profiel zal worden geschetst. De details mag je dan zelf in de Bijbel opzoeken

Het seksuele profiel “Seks and..”

Is seks zonde? Seks hoort misschien wel tot de top één van de onderwerpen waar we ons mee bezig houden. We maken er moppen over, zien er naar uit, tegenop, dromen ervan of komen er badend in wakker. Seks is leuk, vies, banaal, opwindend en ik-weet-niet-wat voor iedereen. Dikwijls wordt seks in songteksten als de “first sin” beschreven. Zij veronderstellen kennelijk dat Adam en Eva door te vrijen zondigden tegen God. Een tamelijk onnozele veronderstelling, als je weet dat ze beide tamelijk uitdagend gekleed waren.

Wat zegt de Bijbel over seks?

Nu dat is eenvoudig, de Bijbel is daar helder in.

Geniet het leven met de vrouw die gij liefhebt, al de dagen des ijdelen levens, die Hij u geeft onder de zon, al uw ijdele dagen, want dat is uw deel onder de levenden en bij het zwoegen, waarmee gij u aftobt onder de zon. Prediker 9:9

En

wees blij en tevreden met je jonge vrouw. Zij is lieflijk en charmant. Laten haar borsten je steeds weer het hoofd op hol brengen en laat je overspoelen door haar liefde. Prediker 5: 18

Over het huwelijk zegt Paulus tegen Timothëus:

Deze schijnheilige leraars vertellen leugens en hebben hun eigen geweten het zwijgen opgelegd. Zij zullen zeggen dat het niet goed is om te trouwen en dat het verkeerd is om vlees te eten, zelfs al heeft God deze dingen gegeven, opdat goed onderwezen christenen er dankbaar van zullen genieten. (1Timotheus 4:1-3)

Weg dus met het celibaat.

Is seks dus zonde? Ik zou haast zeggen oordeel zelf… Maar, en daar is de God ook duidelijk over, het hoort plaats te vinden binnen het huwelijk. We proberen ons zelf nog wel eens voor te houden dat de seksuele geslachtsgemeenschap voor God het huwelijk is en dat we het ritueel van de bruiloft voor de mensen doen. Toch is dat iets waar we onszelf mee voor de gek houden. De Bijbel zegt over seks buiten het huwelijk:

Als iemand een meisje verleidt, dat niet verloofd is en met haar naar bed gaat, moet hij de bruidsschat betalen en met haar trouwen. Exodus 22:16

Als dit had plaatsgevonden, was er geen sprake van dat ze vanaf dat moment nog een paar jaar zouden kunnen gaan samenwonen tot ze een geschikt moment konden plannen om te trouwen.

Waarom wil God dat seks binnen het huwelijk van een man en een vrouw plaatsvindt?

Het heeft mij vroeger dikwijls verbaast waarom er in de Bijbel staat dat toen God de mens schiep hij hen schiep naar zijn beeld als man en vrouw. Dat God de man schiep naar zijn beeld, daar kon ik mij dan nog wel iets bij voorstellen: immers de Bijbel spreekt over God in de mannelijke vorm als een Hij en Hij was één staat er in Deuteronomium 6. Maar hoe kan God twee aparte mensen scheppen die toch allebei een heel ander beeld scheppen en die toch samen het beeld zijn van één en dezelfde God. Toch vatte na geruime tijd het, toen in mijn ogen ketterse, idee post dat zoals de vrouw was ‘geboren’ uit de rib van de man, Christus was ‘geboren’ uit de ‘rib’ van de Vader. Over Jezus zegt de Bijbel:

Hij is het beeld van de onzichtbare God, de eerstgeborene der ganse schepping(Kolossensen 1:15),

Christus is dus niet door God geschapen, wat Hem tot een schepsel zou maken maar Hij is uit God geboren op dezelfde manier waarop de vrouw uit de man is ‘geboren’

En toch, in de Here is evenmin de vrouw zonder man iets, als de man zonder vrouw. Want gelijk de vrouw uit de man is, zo is ook de man door de vrouw; alles is echter uit God. 1Corinthe 11:11-12)

Omdat Christus uit God is ‘geboren’ is Hij net zoveel God als de Vader. Zo is ook de vrouw niet door de man geschapen maar uit hem ‘geboren’. En zoals Christus samen met de Vader één God is zo is de vrouw samen met haar man ‘mens’, samen geschapen naar het beeld van de ene God.

Nu kun je moeilijk zeggen dat God bedoeld heeft dat al de mannen en al de vrouwen samen beeld zijn van Hem. Dit één worden vindt plaats door het huwelijk. Dit heeft God vanaf het begin zo ingesteld:

Daarom zal een man zijn vader en zijn moeder verlaten en zijn vrouw aanhangen, en zij zullen tot een vlees zijn. (Genesis 2:24)

Dit een vlees worden gebeurt door, het woord zegt het al: de vleselijke gemeenschap, of te wel seksuele gemeenschap. Daarom is het ook zo van belang dat we dit niet te lichthartig opnemen. Immers de Bijbel zegt:

Of weet gij niet, dat wie zich aan een hoer hecht, een lichaam met haar is? Want, zegt Hij, die twee zullen tot een vlees zijn. (1 Corinthe 6:16)

Juist ja zeggen wij dan allemaal, als het dan zo is gelegen, wat maakt dan dat ‘boterbriefje’ nog uit. Waarom zou je de onmogelijke inspanning verrichten om te wachten tot je voor de ‘wet’ bent getrouwd? Dit is toch iets tussen de partners en God. Bovendien, zo redeneren we ook graag, die wet was toch nuttig tot voor kort, toen de pil nog niet bestond. God wilde met deze wet jongelui tegen zichzelf beschermen die anders vreselijk in de problemen kwamen als ze hun driften niet konden bedwingen door ongewenste zwangerschappen en daardoor ongewenste gedwongen huwelijken. Maar dat is nu niet meer nodig en waarom zou je met een wet waarvan het nut door de techniek is achterhaald elkaar nog lastig vallen.

Ik weet hoe verleidelijk deze redenering is maar toch is ongewenste zwangerschap niet de basis voor deze regel. Er wordt daar zelfs nergens over gesproken. Het gaat over het één vlees worden met elkaar. Feit blijft dat tegenwoordig wel heel gemotiveerd en sterk in je schoenen staan wil je in onze oversekste maatschappij vol weten te houden, zonder door anderen en misschien als het erop aankomt ook door jezelf niet voor gek te worden verklaart, maar toch is dit niet wat de Bijbel leert. Immers het beeld van de man en zijn bruid komt ook terug in Christus met zijn bruid, de gemeente. En ook zij moeten wachten tot de bruiloft.

De Bijbel spreekt over de gemeente:

Want met een ijver Gods waak ik over u, want ik heb u verbonden aan een man, om u als een reine maagd voor Christus te stellen. 2 Corinthe 11:2

Wat is het moment waarop de reine maagd voor Christus wordt gesteld? Dat is op de bruiloft van Christus en zijn reine maagd.

Laten wij blijde zijn en vreugde bedrijven en Hem de eer geven, want de bruiloft des Lams is gekomen en zijn vrouw heeft zich gereedgemaakt; en haar is gegeven zich met blinkend en smetteloos fijn linnen te kleden, want dit fijne linnen zijn de rechtvaardige daden der heiligen. (Openbaring 19:7-8)

Het is pas na deze bruiloft dat deze bruid tot Hem komt:

En ik zag de heilige stad, een nieuw Jeruzalem, nederdalende uit de hemel, van God, getooid als een bruid, die voor haar man versierd is. (Openbaring 21:2)

Het is dan ook ingegeven door de omstandigheden van de samenleving en ons zwakke vlees dat we redeneren dat we ook wel kunnen ‘trouwen’ zonder bruiloft of dat samenwonen in principe hetzelfde is als trouwen.

Nu resten ons nog een hekel punt namelijk het gezag van de man over de vrouw

Wat het eerste punt betreft, zegt de Bijbel:

Ik wil echter, dat gij dit weet: het hoofd van iedere man is Christus, het hoofd der vrouw is de man, en het hoofd van Christus is God. (1 Corinthe 11:3)

Dat wij mensen hier moeite mee hebben komt aan de ene kant omdat we het zo moeilijk vinden om gezag te aanvaarden en omdat wij zo slecht onderscheid kunnen maken tussen gezag en macht, de geschiedenis van de vrouw in haar relatie tot haar man (ook in christelijke culturen) ronduit slecht is te noemen. (Ofschoon hier als verzachtend argument misschien tegenover gesteld mag worden dat het in de overige culturen het dikwijls nog slechter met haar gesteld was.) Christus had er geen enkele moeite mee dat de Vader zijn hoofd was.

Het genotsmiddelen profiel “Drugs”

Zijn drank, zijn sigaretten of drugs zonde?

Laat ik eens iets onverwachts zeggen: Nee. Drank en zelfs sigaretten of nog erger drugs, zijn niet slecht of zondig. Nu ben ik mij bewust dat dit voor velen vloeken in de kerk is en elke kwaadwillende laat vanaf hier, als ik binnenkort wereldwijd een gezaghebbend bijbelleraar ben, alles wat ik hier verder over te zeggen heb weg, om het uit zijn verband te kunnen halen en te zeggen: “Zie je wel zelfs Kees_Middelbeek zegt dat roken en drugs in zichzelf geen zondige zaken zijn”. Maar goed, dat risico moet ik dan maar nemen.

Wat zegt de Bijbel over wijn?

Paulus zegt over drank tegen Timotheus:

Je moet trouwens niet alleen water drinken, maar ook af en toe wat wijn. 1 Timotheus 5:23

Ja maar zul je nu zeggen: we hebben het hier nog maar over een wijntje. In het Oude Testament wist God ook wel hoe Hij zijn volk feest kon laten vieren. In de wet werd voorgeschreven dat ze van 10% van hun jaarinkomen zich moesten bezatten:

U moet trouw elk jaar de opbrengst van al uw oogsten door tien delen. Breng een tiende deel naar de HERE, uw God op de plaats die Hij zal kiezen als Zijn heiligdom en eet daar het tiende deel van uw koren, uw jonge wijn, uw olijfolie en het eerstgeborene van de runderen en schapen.

Als de plaats die de HERE voor Zijn heiligdom kiest, te ver weg is om uw tienden daarheen te kunnen brengen, mag u het tiende deel van uw oogsten en kudden verkopen en het geld naar het heiligdom van de HERE brengen. Als u bij het heiligdom aankomt, mag u het geld gebruiken om er een os, een schaap, wijn of een andere sterke drank voor te kopen. Voor de ogen van de HERE zult u daarmee feest vieren en blij zijn, samen met al uw huisgenoten. (Deuteronomium 14:22-26)

Nu staat dat bezatten niet letterlijk in de tekst, maar er is weinig voorstellingsvermogen voor nodig om je voor te stellen wat er gebeurt met de zielen van de kelen waar al die sterke drank in verdwijnt.

Wat zegt de Bijbel over roken en drugs?

Maar waar vindt je dan een tekst in de Bijbel over roken en drugs? Nu, ik heb er lang naar gezocht maar helaas, die staat er niet en het lukt me ook niet deze er ongemerkt in te krijgen. Misschien komt dat omdat de aarde toen nog plat was, Amerika nog niet bestond en dus de Spanjaarden de tabak en de cocabladeren nog niet hadden ingevoerd. Maar hoe dan ook, er staats niets over in de Bijbel. Er staat niet in de tien geboden “Gij zult niet roken, snuiven of spuiten”, dus roken en snuiven of spuiten is niet zondig.

Ja, maar het is toch ongezond? Maar sommige werkzaamheden (mijnbouw of kermisexploitant) zijn dat ook en dat wil niet zeggen dat die beroepen op de zwarte lijst moeten (mag wel hoor).

Ja, maar je valt er toch mensen mee lastig en dat is toch ook fout? Ik ben meer dan gevoelig voor dat argument maar mijn ongevraagde luide zingen maakt ook niet iedereen altijd gelukkig, en als de roker dan tijdens zijn roken en daarbij rekening houdt met mijn wensen is er weer niets mee aan de hand.

Kortom, er is geen argument over sigaretten of drugs te bedenken dat niet door een roker en drugsgebruiker ijverig kan en zal worden weerlegd.

Waarom maken zoveel christenen zoveel problemen over roken en drugs?

Ik geloof dat ik voor de mensen die mij kennen nu wel genoeg verwarring heb veroorzaakt en maar eens moet gaan uiteenzetten wat het Bijbelse bezwaar tegen deze zaken is. Het probleem van de drugs en sigaretten zit niet in het gebruik ervan, maar in de verslavende werking die het heeft op ons lichaam. Drugs en sigaretten werken zo verslavend dat je als gebruiker binnen de kortste keren hier geen controle meer over hebt. De Bijbel leert dat ons lichaam de tempel is van Gods Geest. Dit geeft samen met nog een aantal andere minder geestelijk argumenten, de verantwoording om voor dit lichaam te zorgen. En het is onverstandig om, tegen beter weten in, je lichaam te vergiftigen met nicotine of andere stoffen en jezelf een slaaf te maken van wat voor middel of gewoonte dan ook.

Paulus zegt over leidinggevenden in de kerk:

Een opziener dan moet zijn onbesproken, de man van een vrouw, nuchter, bezadigd, beschaafd, gastvrij, bekwaam om te onderwijzen, niet aan de wijn verslaafd, niet opvliegend, maar vriendelijk, niet strijdlustig of geldzuchtig, (1Timotheus 2:2-3)

Wat voor een opziener (oudste of ouderling) geldt, geldt ook voor de rest van de gemeente. Als een oudste, ouderling of gemeentelid niet verslaafd mag zijn aan wijn, mag dat ook niet aan sigaretten of drugs.

Als je dus kunt roken en drugsgebruiken zonder daar de controle over te verliezen is er niets op tegen. Alleen zijn die mensen die hier controle over hebben met een lampje te zoeken. Nagenoeg iedereen die meer dan een jaar (soms al veel eerder) regelmatig sigaretten rookt is verslaafd en zal er de rest van zijn leven voor moeten vechten als hij er mee zal willen stoppen. Voor drugs is dat nog veel erger. Als je dus denkt dat jij het wel kan, ben je, of erg ongevoelig voor verslavingen, of een grote stommeling die hard op weg is een verslaving te ontwikkelen. En dat is iets waar bijna elke roker of gebruiker die je voorging, je tegen zal willen beschermen, omdat hij er te laat achter kwam dat hij zelf ook op die manier verslaafd is geraakt.

En als je denkt dat jij bij deze kleine groep van mensen hoort die niet te verslaven valt aan deze middelen, dan zou je het nóg niet moeten gebruiken omdat je daardoor medeverantwoordelijk bent voor het (gaan) roken en gebruiken van anderen die hier wel aan verslaafd raken. Zoals Paulus dat zegt van het eten van aan de afgoden gewijd offervlees:

Ik heb zelf besloten nooit meer vlees te eten als ik mijn broeder daarmee ten val breng. Ik wil niet dat hij in moeilijkheden komt door iets wat ik eet. (1 Corinthe 8:13)

Het lijkt me duidelijk dat je dit op roken kunt toepassen. Lees het eens zo:

Ik heb zelf besloten nooit meer te roken als ik mijn broeder daarmee ten val breng. Ik wil niet dat hij verslaafd raak aan wat dan ook, door iets wat ik doe.

Het dansprofiel “rock and roll”

Je kunt je het misschien niet goed voorstellen, maar dansen is dikwijls in het verleden een onderwerp geweest waar veel christenouders wakker van lagen. Toch lijkt de Bijbel daar ook niet zoveel aanleiding voor te geven. Nergens vinden we bijbelteksten die het dansen verbieden. Dansen wordt in de Bijbel zelfs gedaan om God te plezieren. Als de ark van het verbond naar Jeruzalem wordt gebracht is het een groot feest en dan wordt er veel gedanst

En David en geheel Israël dansten uit alle macht voor Gods aangezicht, begeleid door zang en door muziek van citers, harpen, tamboerijnen, cimbalen en trompetten. 1 Kronieken 13:8

Waarom maakte menig ouder zich hier dan ongerust over? Dit had verschillende redenen. Om te beginnen was dansen vroeger iets wat je met zijn allen deed. Als er een feest was ging het hele dorp daar naartoe, nu gaan jongeren (op bronstige leeftijd) alleen naar dansgelegenheden. Verder dansten mannen en vrouwen vroeger niet samen en al helemaal niet als paren. Dansgelegenheden zijn dan ook in deze tijd veel meer dan vroeger plaatsen waar jongens en meisjes relaties beginnen. Veel ouders zien dat liever op andere plaatsen gebeuren en het liefst op plaatsen waar hun zoon of dochter kans loopt een gelovige partner te ontmoeten. Dan hebben we het nog niet over het soort muziek wat in de veelal donkere dansplaatsen wordt gedraaid en de hoeveelheid drugs en drank die er op die plaatsen wordt gebruikt.

Kortom laat Ian Dury maar komen, met zijn “seks and drugs and rock and roll”. Wij zijn er klaar voor.

Vragen:

1. Hoe weet je of iets zondig is?
2. Heeft zonde iets met je opvoeding te maken?
3. Welke zaken spraken je uit het bovenstaande het meest aan?
4. Wat vind jij als grote zonde?
5. Zijn er zonden die erger zijn dan anderen?
6. Welke zonden zou je nog meer kunnen noemen dan die hierboven genoemd staan?

 

Hoofdstuk 5

Wat gaat Gods aan de zonde doen (dit in tegenstelling tot wat de mensen proberen te doen) Bestaat er een medicijn voor het dodelijke virus? (Romeinen 3:21- Romeinen 4)

Inleiding

Het gaat er in deze bijbelstudie om dat we leren begrijpen waarover de Romeinenbrief gaat en wat we daar in de praktijk van alledag mee kunnen. Eigenlijk is dit dus de gebruiksaanwijzing bij de Romeinenbrief. Het hoofdstuk wat we nu gaan lezen is het leukste omdat we hier iets mee kunnen. Tot nog toe ging het telkens over de achtergrond van de brief en zagen we dat Paulus deze schreef om de spanning die was ontstaan tussen de Joodse en niet-joodse Christenen op te lossen. Een spanning die was ontstaan nadat de Joden weer terug waren gekomen in Rome uit hun tijdelijke verbanning door keizer Claudius. We hebben ons tot noch toe bezig gehouden met de insteek die Paulus maakte om dit probleem te benaderen. Hij deed dit door er op te wijzen dat Joden en niet-joden (en onder die laatste groep behoren de meeste van ons) even zondig zijn.

Dit is allemaal wel belangrijk om te weten maar niet erg bemoedigend om mee bezig te zijn. Dit en vooral het volgende hoofdstuk zijn echter heel anders. Het zijn echte doe-hoofdstukken. In dit hoofdstuk wordt namelijk de oplossing van het zonde-probleem aangedragen; hierin staat waar je het medicijn kunt vinden tegen het zondevirus waar we het in het vorige hoofdstuk over hebben gehad.

Nu waren er in het Oude Testament ook wel oplossingen voor de overtredingen en de zonden, dus eigenlijk hadden de Joden het principe van het plaatsvervangend sterven wel moeten kunnen begrijpen. Als een Jood had gezondigd, moest hij een offer brengen. Dit was een dier die plaatsvervangend voor de zondaar moest sterven. Ook de heidense volken kenden de offers. Ofschoon die merendeel bedoeld waren om de goden te behagen en niet als plaatsvervangende straf. Hoe leert het evangelie dat onze zonden moeten worden verzoend?

De baron van Münchhausen

Een van de eerste trauma’s die ik als kind had na de schokkende ervaring dat Sinterklaas niet echt bestond, was de wetenschap dat de baron van Münchhausen ook nooit had bestaan. Of in ieder geval zijn belevenissen niet: Wat kon ik (als kind) dan nog wel geloven? Deze vriendelijke man beschreef verschillende belevenissen die zo bizar waren dat ze wel waar moesten zijn. Het leek mij wel wat om aan je hengel door de lucht te vliegen, getrokken door een koppel eenden en dan door de schoorsteen van je eigen huis te vallen. Maar het mooiste verhaal was toch wel dat hij zich van een gewisse verdrinkingsdood in het moeras wist te redden door zichzelf aan zijn haren hieruit te trekken.

Met de baron in het moeras

Toch proberen miljoenen mensen op deze manier hun ziel uit het moeras te trekken van de zonde. Met goede daden te doen, zich aan allerlei zelf bedachte wetten te houden en zinloze offers te brengen om hun goden te vriend te houden, denken velen dat ze zichzelf aan hun eigen haren uit het moeras kunnen trekken.

Als we het leven vergelijken met een moeras dan is er in het moeras wel een pad dat God heeft aangelegd waarop je kunt lopen. Je zult dit nodig hebben op je tocht naar de andere kant en maar ga niet van het pad af.

Dit pad, staat in de Bijbel, is de wet van God die in het Oude Testament staat. Dit was niet zomaar een wet om mensen het leven moeilijk te maken met ge- en verboden, het was Gods gebaande pad door het moeras van het leven. Koning David zingt daarover:

Leer mij, HERE, hoe ik de weg van Uw wet kan volgen. Dan zal ik mij mijn leven lang daaraan houden. Maak mij verstandig, want dan kan ik Uw wet houden zoals U wilt. Met mijn hele hart wil ik mij aan Uw wet houden. Laat mij lopen op het pad van Uw geboden; dat maakt mij gelukkig. (Psalm 119:33-35)

Nu was de wet van God wel een duidelijk pad, maar er was één probleem. Er was niet een echte oplossing voor de mensen die, door van het pad af te gaan, in het moeras wegzakte: die door hun zonden in de macht van het moeras (van de zonde) raakte. Nu waren er wel offers die de mensen mochten brengen en waarmee God de zonden vergaf maar een echte oplossing was dit niet. Offers waren niets anders dan een plaatsvervangende straf. Een dier werd niet geofferd als compensatie voor de overtreding, maar als plaatsvervanger voor de gestrafte. Als mensen dat niet in de gaten hadden, maar dachten God hiermee altijd te behagen, werd Hij hier kotsmisselijk van. Hij zegt dat ook met zoveel woorden tegen Israël:

Ik heb genoeg van al uw offers. Stop er maar mee. Ik wil uw rammen en het vet van uw gemeste kalveren niet meer. Het bloed van uw stieren, schapen en bokken doet Mij geen genoegen meer. Waarom brengt u Mij offers als u toch geen berouw hebt over uw zonden? Ik walg van de geur van het reukwerk, dat u voor Mij verbrandt. Uw heilige vieringen van de nieuwe maan en de sabbat en uw speciale vastendagen, ja, al uw bijeenkomsten zijn huichelachtige vertoningen! Ik wil daar niets mee te maken hebben. Ik haat ze uit de grond van mijn hart. Ik kan ze niet meer zien! Vanaf nu luister Ik niet meer als u met opgeheven handen bidt. Hoe vaak u dat ook doet, Ik luister niet, want uw handen zijn de handen van moordenaars; aan die handen kleeft het bloed van onschuldige slachtoffers. Was u! Wees rein! Laat Ik niet langer zien dat u slechte dingen doet; houd er mee op! (Jesaja 1:11-16)

Als offers, net als de middeleeuwse aflaatbrieven, een rechtmatig betaalmiddel voor de zonden waren, zou het God niets uitmaken wat de beweegredenen van de gever was. Net zomin als een aardse rechter zich niet bezig houdt met de vraag of een veroordeelde echt spijt heeft van zijn daden, maar een straf krijgt die rechtvaardig is voor zijn overtreding. Zo heb ik ooit een vriend gehad die, als hij in Amsterdam ging stappen, zijn auto fout parkeerde zo dicht mogelijk bij de gelegenheid waar hij wilde zijn. De bon die hij dan kreeg nam hij voor lief. Dit was toch altijd beter dan een eind te moeten lopen. (Dit was voor de wegsleepregeling die de parkeerpolitie nu hanteert.)

In Gods wet gaat het dus in eerste instantie om berouw van de overtreding. Het offer is een middel om een plaatsvervangende straf te symboliseren. Het is niet een afkoopmiddel voor mensen die graag overtreden en toch ook God te vriend willen houden voor het geval dat dat eens goed uit mocht komen.

Er is dan ook geen enkele manier om jezelf van de gevolgen van de overtredingen te bevrijden: geen enkele manier om jezelf aan je haren uit het moeras te trekken. Ook anderen kunnen dat niet voor je doen want die zijn zelf net zo ver in het moeras gezakt als jij. De enige die dat kan is God zelf. Alleen Hij is instaat om ons uit het moeras te helpen, waar we door onze zonden in verzeild waren.

Daarom zegt Paulus ook over de wet en de rechtvaardiging voor God:

Ook al houdt men zich aan de wet, dan nog gaat men voor God niet vrijuit. Het enige wat de wet doet, is de mens bewust maken van zijn zonde. Maar nu is aan het licht gekomen dat God de mens buiten de wet om vrijspraak wil geven. Daar is in de Boeken al op gewezen. Deze rechtvaardigheid voor God wordt bereikt door op Jezus Christus te vertrouwen. Dit geldt voor alle mensen die in Hem geloven, wie zij ook zijn. Alle mensen hebben gezondigd en missen daardoor Gods nabijheid. Maar God is zo goed en vergevend hen weer aan te nemen (zonder dat het hun iets kost en zonder dat zij het hebben verdiend) omdat Jezus Christus hen uit de greep van de zonde heeft bevrijd. God heeft Christus Jezus gegeven als verzoeningsoffer. Door Zijn bloed zal de mens, wanneer hij gelooft, Gods rechtvaardigheid ontdekken. God heeft namelijk de zonden die eerder gepleegd waren, verdragen om uiteindelijk (in deze tijd) te laten zien hoe rechtvaardig Hij is. Ook als blijkt dat Hij ieder mens, die door geloof bij Jezus hoort, in ere herstelt. (Romeinen 3:20-26)

Het gaat er dus om dat noch de baron van Münchhausen noch jij of ik onszelf kunnen redden uit de sompige bodem van het moeras maar dat God ons hier graag uit wil helpen als wij koppie onder dreigen te gaan.

Met God uit het moeras

Hoe heeft God het dan mogelijk gemaakt om ons uit het moeras te halen? Dat heeft Hij gedaan door er zelf in te springen, zodat wij ons aan Hem kunnen vasthouden als Hij er uitklimt.

Dit wordt mij een beetje te veel beeldspraak. Hoe is dit dan allemaal gegaan? Wel, God is rechtvaardig en rechtvaardigheid heeft beperkingen. Zo kan een rechtvaardige rechter niet de wet manipuleren voor een bevriende verdachte. Zonden moeten worden verzoend. God kan niet net doen of er niets is gebeurd. Het klinkt wat banaal om te veronderstellen dat God niet kan zeggen: “jongens wat gebeurd is is gebeurd en we praten er niet meer over”.

Door de zonde zijn we als mens in de macht van de satan en de dood gekomen en deze is geenszins van plan om ons zomaar te laten gaan. De satan heeft door de zonde recht op ons en God kan hem dat niet ontnemen zonder zelf zijn eigen rechtvaardige aard te overtreden.

Zo is God is in Jezus mens geworden en naar de aarde (moeras) gekomen. Hij heeft toen onze zonden op zich genomen. Beladen met onze zonde werd Hij veroordeeld tot de dood die wij hadden moeten ondergaan. Zo is hij net als de offers van het Oude Testament plaatsvervangend voor ons gestorven. Niet als een blanco cheque voor ons, om zo vaak mogelijk te verzilveren als wij nodig hebben om te kunnen zondigen. Maar wel als een kostbare prijs voor ons leven als wij berouw hebben van onze zonden.

Omdat Jezus God is is Hij ook machtiger dan de dood en stond Hij daar toen uit op.

Als wij ons dan aan Jezus vasthouden als Hij ons op het droge zet, kunnen we dan trots zeggen: Ik ben wel zo goed dat ik mezelf uit het moeras heb getrokken? Nee toch?

Daarom zegt Paulus ook tegen de Joodse christenen in Rome:

Waarop kunnen wij ons dan nog beroemen? Nergens op! Waarom niet? Omdat we niet met God in het reine kunnen komen door ons aan de wet te houden. 28 Wij komen met God in het reine door op Jezus te vertrouwen en niet door stipt de wet na te leven. (Romeinen 3:27-28)

Ook houdt hij de Joodse volgelingen van Christus voor:

God is toch niet alleen de God van de Joden; Hij is immers ook de God van de andere volken? Natuurlijk, er is maar één God. Hij spreekt Joden èn andere mensen vrij op voorwaarde dat zij in Jezus Christus geloven. 31. Betekent het dan dat wij door op Jezus Christus te vertrouwen, de wet opzijschuiven? Nee, integendeel. Dan doen wij juist wat de wet zegt. (Romeinen 3:29-31)

Als voorbeeld van dit principe dat God de mens alleen beoordeelt op hun vertrouwen in Hem geeft hij hen het voorbeeld van Abraham.

Hoe staat het dan met Abraham, die de stamvader van ons Joodse volk is? 2 Als hij door zijn eigen inspanning vrij voor God stond, zou hij reden hebben om trots te zijn. Maar bij God kun je niet trots zijn. In de Boeken staat het zo: “Doordat Abraham op God vertrouwde, werd hij vrijgesproken van schuld.”

Wie werkt voor een beloning, krijgt die niet omdat het een gunst is, maar omdat hij er recht op heeft. Als iemand zich echter (zonder eigen inspanning) toevertrouwt aan God, Die de goddeloze vrijspreekt, verklaart Hij hem onschuldig op grond van zijn vertrouwen in Hem.

Niet alleen Abraham, maar ook David omhelst dit principe van geloof en vertrouwen boven daden:

David zei toch ook dat u gelukkig bent als God u vrijspreekt zonder dat u er iets voor hebt gedaan. “Gelukkig is hij wiens misstap vergeven en zonden niet meer gezien worden.” zei hij. “Gelukkig is hij aan wie de Here zijn zonde niet toerekent.” (Romeinen 4:1-8)

Dit principe geldt niet alleen voor de (besneden) Joden maar ook voor de heidenen die op God willen vertrouwen. Immers Abraham was ook nog niet besneden en hij had al helemaal geen wet, die pas 400 jaar later kwam.

Geldt dit alleen voor de Joden, die besneden zijn? Of ook voor de mensen bij wie dat niet gebeurd is? Ik heb toch gezegd dat Abraham vrijspraak kreeg, omdat hij op God vertrouwde! Nu, wanneer was dat? Toen hij besneden werd of daarvoor? Daarvoor! Pas nadat hij door zijn vertrouwen op God vrijgesproken was, werd hij besneden. Dat was het teken waarmee zijn onschuld werd bezegeld. Dus is Abraham de voorvader van allen die op God vertrouwen, ook van hen die niet besneden zijn. Zij zijn pas echt kinderen van Abraham, als zij net zo op God vertrouwen als hij, toen hij nog niet besneden was. God beloofde dat Hij de wereld aan Abraham en zijn nakomelingen zou geven; niet omdat Abraham zich zo goed aan Gods wet had gehouden, maar omdat hij God geloofde en daardoor recht voor God stond. (Romeinen 4: 9-13)

Hoe kunnen we dit nu allemaal in praktijk brengen? Per slot van rekening had ik jullie beloofd dat dit een doe-hoofdstuk zou worden. Nu dat is simpel. Om te beginnen moet je voor jezelf beseffen dat je hulp nodig hebt. Zolang je de ernst van de situatie niet in de gaten hebt zul je ook niet adequaat handelen. En je moet weten is dat je in het moeras zit en dat je hieruit moet worden geholpen. En dan komt nu het doe-gedeelte, je moet je aan Jezus vasthouden zodat je eruit komt als Hij dat doet. Niets meer en niet minder. En dat is voor mensen erg lastig omdat ze zo graag iets doen, en dat mag ook wel maar dat mag je dan later wel doen. En alles wat je daarna nog zou willen en kunnen doen voegt niets toe aan dat wat Jezus voor je heeft gedaan om je uit het moeras te redden. Zolang je dat maar beseft.

Maar hoe doe je dat in de praktijk: Jezus vast te houden?

Je zult begrijpen dat dit allemaal voorbeelden zijn om iets duidelijk te maken. Al die voorbeelden kloppen in beginsel wel maar hebben hun beperkingen. Waar het om gaat is dat je weet dat je door de zonde van God bent afgesneden en dat deze zonde moet worden weggedaan.

Als je bijvoorbeeld een houten vloer in huis hebt en je veegt deze aan, dan moet je de rommel die je bij elkaar veegt niet onder een kleedje vegen maar het huis uit doen. Zo is het ook met de zonde. De offers die onder de wet van Israël werden gebracht veegden de zonden onder het kleedje, ze waren voor de tijd dat Christus de zonden werkelijk wegnam een oplossing. De zonden waren door de offers bedekt, maar ze waren niet weg. Jezus heeft het vuil weggedaan. Hij heeft de zonden verzoend door ze op zich te nemen en buiten het huis te brengen.

Wat wij moeten doen is beseffen dat onze zonden moeten worden opgeruimd en dat we Jezus vragen dit voor ons te doen. Meer niet. Daarna moeten we Hem volgen op onze reis door het moeras zodat we er niet weer invallen. Immers Hij zegt van zichzelf dat Hij de weg is door het moeras (Johannes 14:6).

Iets aan Jezus vragen noemen we bidden. Wat moet je dan vragen, of bidden?

Gebed

Jezus, ik weet dat ik als mens zondig ben, deels door dat de zonde in me zit waar ik zelf niet veel aan kan doen, maar deels ook omdat ik zelf tegen Uw wil inga. Dit doe ik door zelfs dikwijls dingen te doen waarvan ik, soms zelfs op het moment dat ik het doe, al weet dat U er verdriet van heeft. Toch wil ik U volgen en doen wat U wilt dat ik doe.

Ik dank U dat U van mij houdt en dat U mijn zonden wil vergeven en dat U daarvoor zelfs zover bent gegaan om voor mij te sterven. Ik wil daarom graag mijn zonden aan u geven zodat U ze weg kunt doen en ze niet meer tussen U en mij instaan. Neem mijn zonden en vergeef mij mijn dwaze daden die ik heb gedaan waarmee ik U en anderen schade heb aangericht.

Amen.

Je mag het natuurlijk ook in eigen woorden zeggen, en misschien is dat ook wel beter, maar zo heb je een beetje idee.

Nu rest je nog twee dingen:

1. ga dat wat je gedaan hebt en spijt van hebt tegenover God, als dat kan, ook goedmaken met de mensen die daar slachtoffer van waren en

2. Probeer het niet weer te doen.

Dit is niet simpel… maar je wou toch een doe-hoofdstuk? Achteraf nog een geluk dat de baron van Münchhaussen niet heeft bestaan, ik zou er nog een hele klus aan hebben gehad om mezelf aan mijn haar uit het moeras te trekken.

Vragen:

1. Ben je het eens met de stelling dat we als mens door de zonde in een situatie terecht zijn gekomen waar we zelf niet meer uit kunnen komen?
2. Kun jij bovenstaand gebed van harte uitspreken?
3. Waarom wel of niet
4. Zou je het anders willen formuleren?

 

Hoofdstuk 6

Het resultaat van onze gerechtigheid Romeinen 5

Wat is nu de vrucht en het resultaat van deze gerechtigheid? In Adam gestorven en in Christus weer opgewekt.

Inleiding

Paulus gaat verder in zijn betoog. Eerst stelde hij ondubbelzinnig vast dat beide de Joodse christenen en de heidense christenen echt niet veel reden hebben om trots te zijn op hun afkomst omdat ze elk op hun eigen manier evenveel schuld hebben voor God. Daarna dat ze ook beide even afhankelijk zijn van Gods genade en het plaatsvervangend offer van Jezus. Nu gaat hij verder met voort te borduren op dat fundament en houdt hij hen voor: hoe verder?

Wat is nu het resultaat van dit alles?

Doordat we nu God willen dienen door onze zonden te erkennen, deze aan Jezus te geven en volgens Hem te volgen veranderen er dingen in ons leven. Wat dan? Aller eerst hoeven we niet meer bang te zijn voor God. Of zoals de Bijbel het zegt, we hebben vrede met God. Maar we gaan ook steeds meer uitzien naar het nieuwe leven met Hem.

Vrede met God

Misschien heb je de reclame van de kabel TV wel een gezien waarin een rondborstige scoutingleidster haar groepje welpen door het alpengebied voorgaat, allen gekleed in fel rood gekleurde T-shirts. Op een verkeerd moment komen ze in het weiland terecht waar een stier losloopt. De jongens trekken, hopende dat hun leidster niet weet dat de stier hartstikke kleurenblind is, direct hun knetterrode T-shirts uit en wensen hevig dat hun leidster denkt dat ze gedwongen door de omstandigheden dit voorbeeld wel zal moeten volgen.

Laten we nu ter willen van het voorbeeld er eens van uitgaan dat het inderdaad het rode T-shirt is dat het groepje in de problemen brengt en dat daar dus een oplossing voor moet worden gevonden.

God haat rode T-shirts

Dit zou je niet zeggen maar zo staat het in de Bijbel.

Komt toch en laat ons tezamen richten, zegt de Here; al waren uw zonden als scharlaken, zij zullen wit worden als sneeuw; al waren zij rood als karmozijn, zij zullen worden als witte wol. Jesaja 1:18

God wil niet dat wij in rode kleren lopen maar in witte.

Doch gij hebt enkele personen te Sardes, die hun klederen niet hebben bezoedeld, en zij zullen met Mij in witte klederen wandelen, omdat zij het waardig zijn. Openbaring 3:4

Je zult begrijpen dat dit beeldspraak is en dat God niet echt iets tegen mooie rode HEMA T-shirts heeft. Maar, de kleur rood is hier het symbool van de zonden en dat is iets waar God wel een ‘hekel’ aan heeft. Hekel is feitelijk niet het juiste woord; je zou het feitelijk moeten omkeren: de zonden heeft een hekel aan God. De zonden kunnen niet bestaan in Gods nabijheid. Net zoals hout verbrandt in de directe omgeving van het vuur, zo brandt zonden in de aanwezigheid van God en hierin gaat ook de zondaar mede verloren.

Door de zonde was er een groot spanningsveld ontstaan tussen God en de mensen. Dit spanningsveld wordt nu door Christus opgelost. Om even in de beeldspraak te blijven, als we met onze van zonde rode T-shirts op het ‘territorium’ van God komen en Hij in zijn heiligheid ons bedreigt, kunnen we ons door de zonde rood gekleurde shirt aan Jezus geven. Hij laat ons dan niet in verlegenheid zonder kleren, voor de ogen van de opgewonden jongens staan, maar geeft ons een wit ‘ T-shirt’ voor terug. Het gevolg is dat we geen reden meer hebben om God te vrezen op zijn terrein, immers de oorzaak daarvan is weggedaan. Paulus zegt daarom hierover tegen de Romeinen:

Wij dan, gerechtvaardigd uit het geloof, hebben vrede met God door onze Here Jezus Christus, door wie wij ook de toegang hebben verkregen in het geloof tot deze genade, waarin wij staan, en roemen in de verwachting op de heerlijkheid Gods.(Romeinen 5:1-2)

Vroeger waren wij vijanden van God. Maar doordat Gods Zoon Zijn leven voor ons gaf, is die vijandschap veranderd in vriendschap. En omdat Jezus leeft, zijn wij voor altijd veilig. Maar daar houdt het niet mee op! Wij prijzen ons gelukkig over deze nieuwe relatie met God. En dan vooral door onze Here Jezus Christus, want Hij heeft ervoor gezorgd dat het nu weer goed is tussen God en ons. (Romeinen 5:10-11)

Er is dus geen rede voor angst meer als we met onze witte kleren bij God komen. Er is vrede nu met Hem en we zien, zoals Paulus zegt, uit naar het moment waarop wij zijn heerlijkheid zullen zien.

Uitzien naar God

In de bijbelvertalingen van de woorden van Paulus staat het zo.

Maar dat is niet het enige waarover wij zo blij zijn. Wij zijn ook nog blij als wij het moeilijk hebben, want wij weten dat wij daardoor leren vol te houden. 4 Als wij volhouden, doorstaan wij de proef. En als wij de proef doorstaan, wordt onze hoop sterker. (Romeinen 5:3-4)

Ik heb nooit zo goed uit de voeten gekund met het woordje ‘hoop’ in deze verzen. Als ik het zo las dan moest ik blij zijn met moeilijkheden omdat mij dit uiteindelijk hoop opleverde. Maar wat heb je nu aan hoop. Je hoopt dat je een voldoende hebt voor je SO of dat het morgen mooi weer is. Nu wil ik niet ontkennen dat ik een tamelijk hopeloos geval ben en dat een beetje hoop daarom best welkom zou zijn, maar om daar allemaal moeilijkheden voor over te hebben?

Woorden als hoop en geloof kunnen in onze taal een tamelijk hopeloze klank hebben. Het zijn woorden die worden gebruikt om uizicht in een noodsituatie te schetsen. De zielepoot hoopt op een voldoende; de slimme leert en werkt voor zijn resultaat. De onozelaar gelooft dat het zo is en de wijze heeft het nagetrokken en weet dat het onzin is. Daarom moeten we geloven dat God bestaat, want zeker weten we het volgens de niet gelover nooit. Want als je het zeker weet is het geen ‘geloven’ meer, zo redeneert deze. En uiteindelijk hopen we allemaal maar dat we in de hemel komen; want daar heb je, net als het weer (en je cijfer), geen invloed op.

Dit is echter niet wat de Bijbel leert over deze dingen. Hoop is in deze tekst uitzien en de Bijbel bedoelt met geloof: vertrouwenstellen op. Als wij geloven in God, hopen we niet dat Hij bestaat en dat we niet ons hele leven onszelf voor de gek hebben gehouden. Nee wij kennen Hem persoonlijk en stellen ons vertrouwen voor de dingen die gaan komen op Hem. Sterker nog, wij verdragen, zoals Paulus het hier zegt, zelfs narigheid, omdat dit uiteindelijk onze hoop, ons uitzien naar Hem versterkt.

Moeilijkheden zijn, zoals dat hier staat niet leuk, maar als je ziet dat God je in de moeilijkheden op wonderlijke manieren bijstaat geeft een geweldige kick. En dat versterkt je geloof en je uitzien naar de komst van Jezus. Welke, naar ik stellig geloof en hoop, spoedig is.

Daarom zegt Paulus ook over deze hoop:

Die hoop is geen valse hoop, omdat Hij ons hart gevuld heeft met Zijn liefde door de Heilige Geest, Die Hij ons heeft gegeven. (Romeinen 5:5)

Waarom is de verwachting en het uitzien naar Christus niet vals, zegt Paulus, omdat Hij ons hart heeft gevuld met zijn liefde door de Heilige Geest die Hij ons heeft gegeven.

In een zelfde situatie verkeer ik nu op een ander vlak. Ik heb een huis gekocht wat nog gebouwd moet worden. Ik heb daarvoor twee jaar voor het opgeleverd zou worden het koopcontract getekend. Dagelijks zie ik uit naar de oplevering. Hoop ik dan dat het opgeleverd wordt? Nee, dat zal heus wel gebeuren waarom is mijn uitzien dan geen valse hoop? Er stond nog geen paal in de grond toen we het huis kochten. De hoop is niet vals omdat ik de projectontwikkelaar vertrouwde, en… een koopcontract als onderpand heb.

Zo bedoelt Paulus het hier ook. Elders zegt hij het zo:

Hij nu, die ons met u bevestigt in de Gezalfde en ons heeft gezalfd, is God, die ook zijn zegel op ons gedrukt en de Geest tot onderpand in onze harten gegeven heeft. 2 Corinthe 1: 21-22 (NBG)

Ons uitzien naar Christus komst is geen intellectuele kunstgreep om onszelf iet wijs te maken, nee we weten dat Hij komt omdat we de Projectontwikkelaar (Christus zelf) vertrouwen en een onderpand (de Heilig Geest) hebben.

 

Romeinen 1- 5 samengevat

Vanaf vers 12 tot ver 21 geeft Paulus nog een samenvatting van zijn betoog. Het gaat erom, zo zegt hij, dat we begrijpen dat we allemaal, Joden en niet-joden deel hebben in de schuld die door één persoon (Adam) in de wereld is gekomen. Maar ook dat we allemaal door de rechtvaardigheid van één ander persoon (Christus) weer rechtvaardig voor God mogen zijn.

 

Vragen:

2. Herken jij dat je vrede heb met God?
3. Zie jij uit naar de komst van Christus?
4. Wat zou je nog meer als voordeel kunnen noemen van het geloof in God?5. Zou je ook nadelen kunnen noemen van het geloven in God?

 

Hoofdstuk 7

De doop (Met Christus gestorven en opgewekt) Romeinen 6: 1-14

Feitelijk zit ik een beetje met dit hoofdstuk in mijn maag. In de vorige hoofdstukken kon ik proberen met vrolijke voorbeelden duidelijk te maken wat de Bijbel met iets bedoelde. Dit hoofdstuk gaat over de doop en de doop is een symbool. En een symbool is, zoals het woordenboek dat zegt, een “zinnebeeldige voorstelling”. Met andere woorden een symbool geeft een voorstelling van iets. Hoe moet je nu met een voorbeeld iets uitleggen wat al in zichzelf iets probeert duidelijk te maken?

Een poging hiertoe zou het alleen maar onduidelijker maken, wat anderen er weer toe zou kunnen verleiden te gaan proberen duidelijk te maken wat ik bedoel. Zodat je een uitleg krijgt van een voorbeeld over een symbool, dat iets probeert duidelijk te maken. Zijn we er nog? Kortom dat wordt niets; geen voorbeeld dus.

Toch zal ik iets met dit hoofdstuk moeten doen, al is het maar om te voorkomen dat mensen denken dat ik er geen verstand van heb.

Waar gaat het in dit hoofdstuk over?

Het klinkt als het intrappen van een open deur als ik zeg dat dit hoofdstuk komt na het vorige. Maar wat ik ermee wil zeggen is, wat ik al in de inleiding op de brief schreef, is dat de hoofdstukindeling niet door Paulus is bedacht. De meeste brieven die wij elkaar schrijven hebben dan ook geen hoofdstukindeling en dat was met deze ook naar alle waarschijnlijkheid niet het geval. Paulus gaat gewoon verder, waar wij een hoofdstuk menen te moeten zien.

Samenvattend wat eraan vooraf ging:

Paulus is zijn brief begonnen met vast te stellen dat alle mensen zondaren zijn (het ‘zondevirus’, hoofdstuk 3 en 4) en dat ze allemaal moeten worden gered van de zonden door het werk van Jezus (die ons uit het moeras heeft getrokken, hoofdstuk 5). De gevolgen van dit alles voor ons stelde hij daarna is, dat we vrede hebben met God en uitzien naar de komst van Jezus.

We weten nu dat we zondaren zijn, dat de wet zelf, ons de kracht niet geeft om hiervan verlost te worden, hoe nu verder. Moeten we dan maar zondigen en de geboden van de wet overtreden? Nee zegt Paulus, we zijn dan wel niet meer gebonden aan de wet als instrument om ons te motiveren God te dienen maar we willen ons ook niet binden aan de (wet van de) zonde om dat te doen wat de zonde ons graag ‘wil’ laten doen.

Om dit duidelijk te maken gebruikt hij het beeld van de doop. Iedereen die bij de kerk hoorde had zich laten dopen en dus wist iedereen waar hij het over had.

Waar gaat het in dit gedeelte over

Het gaat in dit hoofdstuk dus weer, net als in hoofdstuk 3 en 4, over zonden. Het is, zoals eerder gezegd onmogelijk om over het evangelie te spreken zonder het ook en vooral over zonden te hebben. Niet omdat we mensen zo graag inpeperen dat ze onvolmaakt zijn. De reden waarom is omdat, zoals hiervoor ook is vastgesteld dat de zonde dodelijk is en God niet wil dat we er aan sterven. Jezus zegt zelfs, voor zijn sterven, dat een van de belangrijkste dingen die de Heilige Geest zal doen als Hij op aarde komt is de mensen overtuigen van zonde, gerechtigheid en van oordeel (Johannes 16:8).

Zonde is dus een absolute topper in de onderwerpen die we moeten begrijpen willen we onszelf, de wereld om ons heen, en de ernst van de dood van Jezus begrijpen. Paulus gaat vanaf hier dan ook uitgebreid in op de zonde. Hij gaat in op de vragen:

1. Hoe we de zonde moeten zien tegen de achtergrond van de genade van God; 2. In het volgende, hoe zonde en genade in perspectief tot de wet van het Oude Testament moet worden gezien;
3. Daarna gaat hij in op de zonde in relatie tot de menselijke natuur en tot slot;
4. De zonde en de zondige natuur van de mens en Heilige Geest.

In dit hoofdstuk zal worden ingaan op het eerste van de vier punten worden stilgestaan bij de doop. De doop is een van de belangrijkste daden die we zelf kunnen doen om ons geloof te belijden. Het is de eerste daad van gehoorzaamheid die we kunnen stellen in respons op het evangelie. Het is ook een daad die Jezus ons zelf heeft gegeven een daad waarmee we God en de mensen om ons heen laten zien dat we 100% achter het evangelie staan.

Hoe verhouden zonde en genade zich tot elkaar?

Paulus zegt daarover:

Wat betekent dat nu in de praktijk? Zullen wij doorgaan met zondigen om daardoor meer genade van God te krijgen? Geen sprake van! Als gelovigen zijn wij dood voor de zonde! Waarom zullen we dan nog zondigen? Weet u niet dat ieder die in Christus Jezus gedoopt is, met Hem één is geworden in Zijn dood? Die doop in Hem was onze begrafenis. En zoals Christus weer levend is gemaakt door de heerlijke macht van de Vader, zo mogen wij nu ook een heel nieuw leven leiden. Wij zijn dus één geworden met Hem, één in dood en leven. (Romeinen 6:1-5)

Het antwoord op de vraag of we nu wel of niet door moeten gaan met zondigen benaderd Paulus dus vanuit de doop. Paulus begint hier over de doop en niet eerder. De doop is een logisch gevolg van de voorgaande dingen en vat ze tegelijk samen. De doop komt pas als iemand van het voorgaande doordrongen is. Pas als iemand weet dat hij door het werk van Jezus is gered van het oordeel over de (zijn) zonden wil hij zich laten dopen.

De doop is het symbool van het sterven en opstaan van Jezus: in de doop zijn wij een met Jezus geworden in zijn dood en opstanding. Het onder water gaan symboliseert zijn sterven en het uit het water opstijgen zijn opstanding.

In Manilla, op de Filippijnen is een hele grote vuilnisbelt waar duizenden mensen op leven. Zij verdienen hun brood door het sorteren van het vuil en dit aan handelaren te verkopen. Deze onmenselijke stinkende berg wordt wel, smokey mountain genoemd.

Zo moet je je de zonden voorstellen een grote stinkende berg afval.

Jezus heeft ons van deze afvalberg gehaald en ons er een huis in een villawijk voor in de plaats gegeven. Een mooie woning en omdat het afval verwerkingssysteem nogal ingewikkeld is mogen we, in geval van nood, altijd een beroep op Hem doen. Moeten we dan extra troep maken in en om het huis zodat Hij maar vaak kan komen?

Lijkt me niet. Het zou eerder van ondankbaarheid getuigen dan van iets anders als we ons zo zouden gedragen.

De doop

Je zou het misschien niet zeggen maar het was niet Johannes de Doper die het dopen heeft uitgevonden. Al in de Tempel in Jeruzalem stond een doopvond. Sterker nog er waren er verschillende. Deze Mikwee werden voor de reinigingsrituelen voor de priesters gebruikt. Dit gebruik was gebaseerd op de wet en de rituele van rond de tabernakel. Als je de tabernakel bestudeert blijkt dat elk aspect daarvan een verwijzing bevat naar het Gods troon in de hemel het offer van Jezus aan het kruis en hoe wij als mensen met God om mogen en kunnen gaan. Het gaat helaas veel te ver om daar hier uitgebreid op in te gaan, maar er zal ter willen van het onderwerp toch wel iets over het wasvat moeten worden gezegd en de plaats hiervan in de tabernakel.

Het wasvat

Gods troonzaal en Gods troon: de tabernakel en de ark

In de tabernakel stond de ark van het verbond. Je mag dit in de Bijbel nazoeken en anders moet je het maar even van me aannemen. Deze ark was een symbool van Gods troon. Deze troon stond veilig in een tent.

Het Heilige en het Heilige der Heilige

De ark stond in een rechthoekige tent die in het midden, door een dik gordijn, werd verdeeld in twee even grote delen. De ruimte aan de kant van het gordijn waar de ark stond werd het Heilige der Heilige en aan de ander kant het Heilige genoemd.

Deze tent was het symbool van de troonzaal van God in de hemel. Israël mocht dan wel in Gods troonzaal komen, maar mocht (nog) niet Gods troon zien: de ark was door het dikke gordijn aan het oog ontrokken. Niemand mocht voorbij dit gordijn en naderen voor de troon van God, behalve de hogepriester, één keer per jaar.

De hogepriester en de gewone priester

De hogepriester was een beeld van Jezus. En de gewone priester was het beeld van de gewone gelovige (wij). De hogepriester mocht één keer per jaar voor de ark komen en de gewone priester zo vaak als nodig was tot in het voorste gedeelte van de tent aan de veilige kant van het gordijn.

De tempel

Toen het volk Israël in het beloofde land was aangekomen heeft de tabernakel nog lange tijd dienst gedaan als plaats waar God werd gediend. Pas koning Salomo heeft een stenen gebouw gemaakt als vervanging voor de tabernakel: de tempel.

Deze tempel had grotendeels dezelfde indeling als de tabernakel. Er was dus ook een ruimte welke op dezelfde manier was ingericht als de tabernakel met gordijn waar aan de ene kant de ark stond en waar alleen de hogepriester één keer per jaar, en aan de andere kant de ruimte waar de gewone priester zo dikwijls mocht komen als nodig.

De tempel stort in

Toen Jezus stierf, scheurde het gordijn dat de ruimte scheidde van boven naar beneden doormidden en verdween de functie van de voorste ruime. Hierdoor was de ark voor iedereen zichtbaar die in Gods troonzaal kwam. En waardoor iedereen, zo vaak als nodig was ook kon en mocht komen voor Gods troon.

Kun je dan nu zomaar naar God in zijn troonzaal toelopen?

Nee, dat kun je niet. Om tot God te kunnen naderen moest je een priester zijn. Niet iedereen die dit leuk leek mocht voor God naderen. Er waren strikte voorschriften waaraan moest worden voldaan om priester te kunnen worden om zo toegang tot God te kunnen krijgen.

Hoe kon je priester worden?

Een priester werd geen priester door jaren lange studie. Wat natuurlijk niet zegt dat ze geen goede kennis van zaken moesten hebben maar ze werden het door drie dingen te doen.

1. gewijd worden
2. gedoopt worden
3. gekleed worden.

1. gewijd worden

Voor het gewijd worden was het elementair dat er een offer werd gebracht. Er werden dan ook allerlei rituelen, met ook weer symbolische betekenissen verricht. Hier zal maar niet verder op worden ingegaan omdat het hier over de doop gaat. Centraal van dit onderdeel is dat offer.

Zoals de Leviet priester mocht zijn en in Gods nabijheid Hem kon dienen door het offer, zo mag de gelovige naderen voor God door het offer van Jezus.

2. gedoopt worden

De priester werd ritueel gebaad in het wasvat.

Dit is het beeld van de doop.

3. gekleed worden

Je mocht niet voor Gods troon naderen in je werkkloffie, zelfs niet in je zondagse pak, maar alleen in de kleren die God daar zelf voor had voorgeschreven. De aspirant priester werd volgens een vaste volgorde gekleed in de priesterkleren.

Deze priesterkleren waren een symbool voor de werken van Christus. Ook hier zal niet verder op worden ingaan omdat het toch al lang genoeg is allemaal.

De plaats vorm en inhoud van het wasvat

Het wasvat had als functie de priester te reinigen bij de inwijding, maar ook om hem te reinigen als hij tijdens het uitoefenen van zijn werk vuil werd.

Het wasvat was gemaakt van de spiegels van de vrouwen die dienst deden bij de tabernakel. De plaats van het wasvat stond vanaf de ingang van het terrein van de tabernakel in de looplijn naar de ingang van de tent van de tabernakel. Je moet je het je dus zo voorstellen dat als je de omheining van het terrein binnenkwam, dan liep je onderweg naar de tabernakel tegen je eigen spiegelbeeld aan. Je kon dan tot de ontdekking komen dat je helemaal niet zo voor God kon komen omdat je verschrikkelijk vuil was. Nu hielp dat wasvat je niet alleen in het vaststellen van je gebrek maar de inhoud hielp je ook om daar wat aan te doen.

De inhoud van het wasvat was het water dat Israël had opgevangen toen het stroomde uit de rots. Nu moet je maar eens nazoeken waar het staat in de Bijbel, maar de Rots, was een symbool van Christus en het water is zijn Woord.

Het wasvat is dus in de betekenis zoals wij die nu kennen de Bijbel. Gods woord waar je jezelf in gespiegeld ziet en waar je ook de kracht in kunt vinden om te worden gereinigd om voor Gods troon te kunnen komen.

De doop heeft twee betekenissen

1 Sterven en opstaan uit de dood die het gevolg is van de zonde.

2. Inwijdingsritueel en reinig van zonden.

Vagen:

1. vind je dat christenen zich moeten dopen?
2. Maakt de d oop je tot een beter mens?
3. Ben jij gedoopt?
4. Waneer ben je gedoopt of laat je je dopen?

 

Hoofdstuk 8

de wet (Romeinen 6: 15 tot 7:26)

Inleiding

Inmiddels weten we dat we in relatie tot God zondaren waren; Buiten de wet om zijn we van deze zonden verlost; Het gevolg is dat we niet meer bang hoeven te zijn voor Gods oordeel over de zonden. We hebben uiting gegeven aan ons geloof door ons in de doop te vereenzelvigen met het plaatsvervangend sterven van Jezus. Alles lijkt voor elkaar en in orde. Vanaf nu gaan we in de hoogste versnelling met alle goede voornemens onder onze arm laten zien dat we onze les hebben geleerd.

Maar wat blijkt nu na verloop van tijd, het gaat nog niet zo als we hadden verwacht. Het blijkt dat we ons oude patroon van dingen doen mee hebben genomen uit het “watergraf” van de doop. Wat nu? Moeten we daar dan maar aan toe geven en telkens als we zondigen ons er over verheugen dat Christus deze heeft vergeven? Met andere woorden: hoe meer wij zondigen hoe meer genadig God kan zijn en, zoals sommigen zeggen: “God wil graag genadig zijn, dus vindt Hij het helemaal niet erg dat wij zondigen”. Deze manier van redeneren getuigt van weinig inzicht in de ernst van de zonden. Is het dan zo dat we koste wat het kost ons in een kramp moeten werken om de wet te houden en proberen om maar niet te zondigen? Dat is ook niet echt een optie want dat is nog nooit iemand gelukt. Bovendien maakt het ons er geen vrolijkere mensen van. Wat moeten we dan?

Omdat Paulus het probleem tussen de heidense en Joodse christenen niet alleen wil benaderen vanuit de vraag wie nu de beste is (of zo je wil de slechtste) ontkomt hij niet aan de relatie van de nieuwe situatie die is ontstaan door het plaatvervangend sterven en dus de genade van God en de ‘oude’ wet van God. Het was immers de wet die de Joden van de heidenen onderscheidde, wat moeten we nu met die wet?

Eerst stelt hij (voornamelijk aan de heidense christenen) de vraag of wij bij de zonde mogen blijven opdat de genade toeneemt. Maar ook stelt hij (voornamelijk aan de Joodse christenen) dezelfde vraag vanuit de wet: zullen we dan zondigen omdat wij niet onder de wet zijn maar onder de genade?

Hoe je het ook bekijkt, of vanuit het idee dat God ons het ‘toch wel vergeeft’ of vanuit de gedachte dat we ‘toch niet meer onder de wet leven’; zondigen is geen optie. Maar waarom dan niet?

De wet

De wet heeft iets vreemds. Als je al eens naar een politieserie op televisie hebt gekeken zul je absoluut wel weten dat als zelfs de meest misdadige misdadiger na dat hij door de politie voor zijn misdadige daad is gearresteerd zijn rechten krijgt voorgehouden. Waarom ‘mag’ een misdadiger alle middelen gebruiken om zijn doel te bereiken en mag de wet(sdienaar) dat niet? Waarom moet een schurk zijn rechten worden voorgehouden terwijl hij of zij zelf daar nooit enig respect voor heeft getoond naar anderen toe?

De wet heeft ook iets afschrikwekkends. De wet en rechtspraak worden in ons land door de geblinddoekte vrouwe Justitia voorgesteld die onpartijdig het recht weegt in haar weegschaal en dit genadeloos maar rechtvaardig, zonder aanzien des persoons straft met haar zwaard.

De wet regelt de omgang tussen mensen en beschermt de zwakken tegen de sterken. Zonder wet zou het een overheersing van de sterken tot een ramp voor de zwakken worden en als de wetsdienaar die de wet moet handhaven zich zelf boven de wet stelt wordt hij of zij ook een misdadiger.

Houden wij (van) de wet?

Het is nog niet zo lang geleden dat er geen grondwet was in de meeste landen van Europa. Tot in de 19e eeuw hadden we feitelijk te maken met een rechtssysteem dat zijn wortels had in de Middeleeuwen. Dit was een tijd waarin de adel en de kerk de koning hielp met het ‘regeren’ van het volk. Een tijd waarin het volk minder dan niets te vertellen had en over geleverd was aan de willekeurig van hen die boven hen waren gesteld.

Het heeft heel veel gekost voor we een grondwet kregen en de Franse Revolutie had naar alle waarschijnlijkheid kunnen worden voorkomen als Lodewijk XVI het volk deze felbegeerde wet had gegeven.

Een grondwet is feitelijk een blauwdruk van hoe een land wil worden gekend. Aan de grondwet herken je het land, zou je kunnen zeggen. Daarin staat hoe de mensen met elkaar willen omgaan.

Behalve een grondwet heeft een volk nog een hele stapel boeken vol wetten die de beginselen van deze grondwet uitwerken en toepassen in allerlei situaties.

Feitelijk kun je zeggen dat wij mensen de wet pas gaan waarderen als deze ons iets oplevert, maar als belemmerend ervaren als deze ons iets verbiedt. Bijvoorbeeld bescherming van de willekeur van de regering levert ons iets op en daar zijn we blij om. Het is echter ook zo dat als de wet de regering verbied om het volk uit te buiten, dat dit voor het volk wel leuk is maar voor de regering jammer. Ook mag het volk een aantal dingen niet: bijvoorbeeld iemand doodslaan die je het leven zuur maakt of dronken achter het stuur zitten, waardoor je op je feestje niet meer mag drinken. In de praktijk blijkt dat velen daar minder gelukkig mee zijn.

Gods Wet

God heeft ook een grondwet: de Tien geboden. Deze geboden worden ook uitgewerkt in verschillende voorschriften in de bijbelboeken die de Joden de Thora noemen: de eerste vijf boeken van Mozes. Deze wet is de blauwdruk van hoe God wil dat zijn volk wordt gekend. Deze wet is zelfs zo bijzonder dat niet alleen een blauwdruk is van hoe God zijn volk wil laten zijn, maar zelfs een grondwet is van de hemel. Dat God niet zo wettisch is als we misschien wel denken blijkt ook wel uit de omvang van de wet. Deze wet die zo een grote omvang kent is in tien grondgeboden gevat en kent eigenlijk maar een paar honderd bepalingen. Een klein land als Nederland heeft een wet die veel gedetailleerder en beperkender is.

Houden wij (van) Gods wet

We kunnen natuurlijk niet over zonden spreken als we geen kader hebben dat vaststelt wat zonde is. Om te weten of we van Gods wet houden en of we zondigen moeten we deze wet kennen. Gods wet bestuderend komen we tot de ontdekking dat deze wet drie elementen bevat die we elk op een verschillende manier ervaren:

1. de wereld zou perfect zijn als iedereen deed wat er staat;
2. de wet is niet te houden;
3. de gevolgen van het overtreden zijn niet misselijk.

Dit maakt dat de verschillende elementen wel in een vreemde relatie tot elkaar komen te staan. De gevolgen van het overtreden (wat je ook zelf doet) van de wet zijn zo ernstig dat je haast moeite hebt om de wet goed te vinden.

Nu kwamen we eerder tot de ontdekking dat Jezus punt 2 en 3 van deze elementen voor zijn rekening heeft genomen. Hij heeft door de gevolgen (punt 3) van het niet houden (punt 2) van de wet op zich te nemen het feitelijk overbodig gemaakt om de wet nog te houden. Maar betekent het dan dat we de wet maar niet meer moeten lezen en maar zo moeten leven dat we zondigen tegen deze wet?

Moeten we dan maar zondigen omdat we toch niet meer onder de wet maar onder de genade leven?

Zeker niet, zegt Paulus: immers de wet is de blauwdruk van de hemel en Gods manier waarop wij met elkaar en Hem om moeten gaan.

Moeten we dan proberen de wet te houden?

Dit is een ingewikkelde vraag en de kerk heeft er telkens weer mee geworsteld die worsteling zal ook ons niet worden onthouden. De beste manier om hier mee om te gaan is dat je de wet moet begrijpen en daar waar deze wet Gods wil over bepaalde zaken duidelijk maakt er naar moet leven, maar dat je gelijker tijd jezelf niet mee moet veroordelen als je de wet niet kunt houden.

Je kunt hard maken dat de wet van het Oude Testament een hele andere betekenis heeft gekregen in het Nieuwe Testament. Er kwam een spanningsveld tussen Joodse gelovigen die Jezus wilde volgen. Er was een groep die stelde dat volgelingen van Jezus uit de heidenen zich moesten besnijden en de wet gehoorzamen en er was een groep die stelde dat je de heidense gelovigen hiermee niet moest lastig vallen. Dit spanningsveld is door de leiders van de kerk in Handelingen 15 opgelost door te stellen dat als de (heidense) gelovigen zich zouden houden aan drie dingen (het gestikte, dat wat aan de afgoden was geofferd en het bloed) dit voldoende zou zijn.

Als je wil zou je op grond van dit vers kunnen zeggen dat de rest van het Oude- en Nieuwe Testament afgeschaft kan worden. Geloof in Jezus dat Hij voor je zonden is gestorven, wees goed voor je medemens, consumeer geen bloed, dieren die door stikken om het leven zijn gekomen of die aan de afgoden zijn geofferd en verder zijn we klaar.

Dit kan natuurlijk nooit God bedoeling zijn. Immers Jezus zelf zegt dat er niets van de wet onvervuld zal blijven (Mattheüs 5:17) en er is geen enkele aanleiding om te stellen dat als de wet vervuld is deze wordt afgeschaft. In tegendeel zal deze wet zo zijn als die door God is bedoeld. Maar moet dan alles wat in de wet is beschreven dan nog exact zo worden gedaan? Nee dit is niet de bedoeling immers regels die in Christus zijn vervuld moeten volgens die ‘vervulde regels’ worden gehanteerd en niet volgens de oude onvervulde. Maar hoe kan er dan verschil worden gemaakt tussen deze ‘vervulde’ en de andere ‘universele’ regels en bepalingen uit het Oude Testament? Globaal zou je kunnen zeggen dat je onderscheid kunt maken tussen:

1. voorschriften hoe mensen wel en niet met elkaar om moeten gaan (ex. 20-23)2. voorschriften hoe het volk met God dient om te gaan; hoe het heiligdom dient te worden gemaakt en hoe daar te dienst moet zijn (ex. 25-40)
3. voorschriften die de boete voor de overtreding regelen
4. voorschriften hoe de priesters moeten werken (lev. 8-10)
5. reinheidswetten (lev. 11-14)
6. regels voor verzoening (lev. 16-17)
7. heiligingswetten; seksuele reinheid, “Ik ben de Heren”, occulte en seksuele schande (lev. 21-22)
8. heiligingswetten voor priesters (lev 21-22)
9. heilige tijden; zoals feesten en sabbatjaar.

Deze onderverdeling zou globaal kunnen worden samengevat tussen:

1. waar woont God (punt 2) ;
2. de weg tot God (punt 3-6) en
3. wandelen met God (punt 4-9)

Als je deze uitgangspunten voor ogen houdt is het makkelijker om te onderscheiden welke regels wel en welke regels niet meer hoeven worden gehoorzaamd. Immers door Jezus bloed zijn we gereinigd van al onze zonden dus heeft het geen zin meer om offers te brengen. Het heeft ook geen zin meer om ons bezig te houden met de tabernakel als woonplaats van God omdat de Bijbel leert dat God nu in ons hart wil wonen . (Wel kunnen we er erg veel van leren over hoe God wil worden aanbeden en geeft het een mooi zicht op de hemel). Jezus doet zelf uitspraken over reine handelingen en over reine en onreine dieren spraken we al in verband met handelingen 15. Waar het de verzoenings en reinheidsrituelen betreft zou je kunnen zeggen dat deze zijn vervuld in het werk van Christus en dat wij daar niet aan kunnen toevoegen maar dit geldt niet voor huwelijks, seksuele en occulte wetten.

Het is dus niet aan ons om de wet te negeren en Gods wil die daarin staat over morele en ethische zaken als afgedaan te beschouwen. Deze regels over wat God wil zijn duidelijk. Zo staat er dat God niet wil dat wij zijn Naam lasteren afgodsbeelden bouwen, liegen overspel plegen of onze eigen ideeën over seksualiteit bedenken en het zou ook helemaal geen kwaad kunnen om de feesten te vieren die Israël kende via de wet.

Het verschil tussen het Oude en Nieuwe Testament is dat we geen offer meer hoeven te brengen voor de overtreding. Als een Jood een feest niet vierde was dat een ernstige zaak. Wij mogen weten dat deze feesten wijzing naar iets dat Jezus zou gaan doen en ons erover verblijden dat dit is gebeurd zonder dat we ons schuldig hoeven te voelen als we dit niet vieren. Het heeft ook geen enkele zin om offers te brengen voor onze overtredingen van de wet. Immer dit voegt niet toe aan het offer dat Christus heeft gebracht. Sterker nog, het heeft zelfs geen enkel zin, in de zin dat het iets toevoegt aan onze relatie tot God, of wij ons schuldig voelen over onze overtredingen. Zelfs dat soort boetedoening voegt niets toe aan het offer van Christus.

Christus volgen en Gods wil doen, gaat veel verder dan het proberen te houden van een aantal voorschriften. Je bent (pas) een christen als je heel je leven aan God hebt gegeven en alles wil doen wat Christus wil dat je doet. En dat zul je dan wel nooit helemaal waar kunnen maken, maar het zal je wel altijd doen beseffen dat je zijn wil (wet) wil doen. Dit omdat we willen horen bij dat koninkrijk waarvan de wet van het Oude Testament een blauwdruk is.

Zondigen maakt een ons tot een slaaf van de zonde en zonde leidt tot de dood.

Gods wil en genade leiden tot het leven.

De keuze is duidelijk zegt Paulus: je kunt kiezen voor gehoorzaamheid aan de zonde of gehoorzaamheid aan de gerechtigheid.

Dan mag de keuze wel duidelijk zijn het brengt ons wel in een naar spanningsveld. Aan de ene kant willen we dus leven overeenkomstig Gods wet maar zodra we dit proberen te doen gaat het mis.

Het gras zal altijd groener zijn…

Deze veelzeggende tekst van Ramses Shaffy en Lisbeth List is voor ons dikwijls herkenbaar. “Het gras zal altijd groener zijn aan de andere kant van de heuvel” Waarom is dat zo? Waarom lijkt het alsof de dingen die we niet kunnen of mogen nu juist veel aantrekkelijker zijn dan de dingen die we al wel mogen of hebben.

Paulus zegt hierover:

Van de begeerlijkheid zou ik niet geweten hebben, indien de wet niet zeide: gij zult niet begeren. Maar uitgaande van het gebod, wekte de zonde in mij allerlei begeerlijkheid op; want zonder wet is de zonde dood. Ik heb eertijds geleefd zonder wet; toen echter het gebod kwam, begon de zonde te leven, maar ik begon te sterven, en het gebod dat ten leven moest leiden, bleek voor mij juist ten dode te zijn; want de zonde heeft uitgaande van het gebod, mij misleid en door middel daarvan gedood. (Romeinen 7:7-11)

Zo kan ik mij herinneren dat wij als lenige kinderen op de lager school er veel meer plezier in leken te hebben om over de muur van de tuin van de pastoor te klimmen om daar in de tuin proberen de appels van de boom te lenen, dan dat we die thuis van de appelboom plukte.

Kennen we niet allemaal het principe dat we graag dat willen dat niet mag? Kinderen zijn daar dikwijls helemaal gevoelig voor. Er is geen grotere uitdaging voor menig kind om iets te doen, dan wanneer een ander kind zegt dat hij of zij iets niet kan of durft. Het niet van de ouders mogen: roken, uitgaan of alleen op vakantie lijkt voor mening tiener een extra motivatie om het juist wel te willen. Zoals Paulus zegt:

uitgaande van het gebod, wekte de zonde in mij allerlei begeerlijkheid op;

Naarmate je vaker Oud en Nieuw hebt gevierd begrijp je deze tekst beter. Hoe vaker je goede voornemens hebt gehad, hoe vaker je tot de ontdekking kwam dat je deze dikwijls niet kon volhouden. Sterker nog, naarmate je je beter je best deed om een geduldig mens te zijn of minder te eten, of meer te sporten, hoe vaker je tot de ontdekking kwam dat het wel leek dat je het nog minder goed leek te doen dan voor het voornemen. Dit gaat helemaal op voor geestelijke dingen.

Dit spanningsveld komt voort uit, wat Paulus noemt de strijd tussen het vlees en de geest.

Strijd tussen vlees en geest

Over deze strijd zegt Paulus:

Wij weten immers, dat de wet geestelijk is; ik echter ben vlees, verkocht onder de zonde. Want wat ik uitwerk, weet ik niet; want ik doe niet wat ik wens, maar waar ik een afkeer van heb, dat doe ik. Indien ik nu wat ik niet wens, toch doe, stem ik toe, dat de wet goed is. Doch dan bewerk ik het niet meer, maar de zonde, die in mij woont. Want ik weet, dat in mij, dat wil zeggen in mijn vlees, geen goed woont. Immers, het wensen is wel bij mij aanwezig, maar het goede uitwerken, kan ik niet. Want niet wat ik wens, het goede, doe ik, maar wat ik niet wens, het kwade, dat doe ik. Indien ik nu datgene doe, wat ik niet wens, dan bewerk ik het niet meer, maar de zonde, die in mij woont. Zo vind ik dan deze regel: als ik het goede wens te doen, is het kwade bij mij aanwezig; want naar de inwendige mens verlustig ik mij in de wet Gods, maar in mijn leden zie ik een andere wet, die strijd voert tegen de wet van mijn verstand en mij tot krijgsgevangene maakt van de wet der zonde, die in mijn leden is. Ik, ellendig mens! Wie zal mij verlossen uit het lichaam dezes doods? (Romeinen 7:14-24)

Paulus heeft er dus helemaal geen behoefte aan om ‘maar’ te zondigen, ondanks dat hij de wet niet als uitgangspunt neemt voor zijn behoud. Hij constateert echter wel dat hij het als mens niet kan laten om te zondigen en is daar helemaal niet gelukkig mee. Toch gaat hij niet bij de pakken neerzitten maar prijst (de) God die deze wet heeft gemaakt en hem van deze wet heeft verlost.

Het lijkt tegenstrijdig maar het valt wel mee. In het stuk wat er op volgt legt Paulus uit hoe hij dan uiteindelijk de overwinning over de macht van de zonden kan behalen door te leven door de Geest van God. De Geest die zelf de wet heeft geschapen kan ook de overwinning van de zonde over ons leven geven.

Vragen:

1. Hoe heb jij de 10 geboden leren kennen?
2. Wat spreekt je het meest aan in de wet van het Oude Testament? En waarom?3. Waar heb je het meest moeite in de wet? En waarom?
4. Welke plek hebben ze in je leven?
5. Beoordeel jij jezelf of anderen met deze wet?
6. Wat vind je de positieve en wat de negatieve kanten van de wet?
7. Heb je wel eens goede voornemens gehad? Hoe heb je dat ervaren?
8. Herken je de strijd die Paulus hier beschrijft tussen, wat hij noemt je geest en je vlees?

 

 

Hoofdstuk 9

de strijd tegen de zonde overwinnen door de Geest (Romeinen 7:25-8)

Inleiding

In het vorige hoofdstuk stelde we vast dat we, nadat we tot het geloof in Jezus kwamen (anders dan we misschien hadden gedacht), nog steeds moeite hadden om onze minder fraaie eigenschappen achter ons te laten. Paulus stelde zelfs vast dat het niet de dingen zijn die hij graag doet uit zijn daden blijken. Erger nog; hij merkte juist dat hij die dingen doet waarvan hij met zijn verstand weet dat ze niet goed zijn. Hij verzucht dan wanhopig wel met zijn verstand de wet van God wil doen maar dat zijn lichaam een andere wet wil volgen en dat wel op zo’n manier dat hij vertwijfelt uitroept: “wie zal mij verlossen van dit lichaam des doods”.

Hoe wordt de overwinning behaald in de strijd

Paulus maakt het onderscheid tussen het vlees en de geest niet als iets wat moet worden beoordeeld op grond van onze daden, maar opgrond van onze gezindheid. Dat wil zoveel zeggen als onze neiging en onze denkwijze. Hij stelt dan:

Gode zij dank door Jezus Christus, onze Here! Derhalve ben ik zelf met mijn verstand dienstbaar aan de wet Gods, maar met mijn vlees aan de wet der zonde. (Romeinen 7:14-25)

Hoe moet je je positie zien tussen je vlees en je verstand?

 

Een Nederlandse Amerikaan

Na de oorlog zijn er veel Europeanen naar Amerika vertrokken. Meestal werd dit besluit ingegeven door economische motieven. Het was hier een ellendige toestand met slechte vooruitzichten en in Amerika (en Canada) kon je ‘het maken’; dat waren de landen van de ongekende mogelijkheden. Dat die mensen het helemaal zouden hebben gemaakt kwam tot uitdrukking in het versje waarvan de kop boven deze paragraaf staat. “Zijn buik lijkt wel een luchtballon” en “zijn hoofd lijkt wel een varkens kop”. Hij heeft het zo goed dat hij zich tonnetje rond heeft gegeten. Nu zullen de meeste van deze nederlandse Amerikanen waar het liedje over gaat, zich wel aan de cholesterol in het ongeluk hebben gegeten, maar er zijn er nog veel over: Nederlanders aan de overzijde van de grote plas die het al dan niet hebben gemaakt.

Zo nu en dan lees je weer eens over sommigen van deze mensen die nu op leeftijd beginnen te komen en verteerd worden door heimwee. Ze wonen dan wel al vanaf hun emigratie hun hele verdere leven in een land waarvan ze weten dat ze het er beter hebben dan in hun oude vertrouwde Nederland, maar hun hart ligt nog in Drenthe of Limburg. Dit komt dan soms ook nog tot uitdrukking dat ze hun huis inrichten zoals ze dat in de 50er jaren in Nederland achterlieten, ze nog Nederlands lezen en spreken en zich er niet thuis voelen. Dikwijls zoeken ze dan ook nog vooral contact met zielsgenoten.

Ben jij een Nederlandse Amerikaan?

Paulus maakt dus onderscheid tussen wat we doen en welke gezindheid we hebben. Heb jij na je emigratie naar het land waarvan je beter dacht te worden de nationaliteit aangenomen van dat land of houdt je vast aan de gewoonten van het land waar je vandaan komt?

Met andere woorden: ben je nadat je tot geloof bent gekomen van twee walletjes gaan eten: Nederland en Amerika of te wel het land waar je hart ligt en het land waarvan je weet dat het beter voor je is, of kies je met heel je hart voor het land wat goed is voor je.

Nu zul je begrijpen dat het mij niet om Nederland noch om Amerika gaat, maar om het voorbeeld. Kies je voor Christus en ligt je hart eigenlijk nog in de dingen van het vlees, maar wil je toch ook Christus niet laten schieten omdat je weet dat dit beter is voor je toekomst, of kies je helemaal voor Christus omdat je weet dat het vlees (de zonden) je niets heeft te bieden?

Hoe is jou gezindheid

Paulus maakt duidelijk dat indien onze gezindheid (ons verlangen) bij het vlees (bij de zonde) ligt, dit ons tot slaven van dit vlees en de zonden maakt en de uiteindelijke bestemming van de zonde is de dood. Aan de andere kant stelt hij dat als onze gezindheid ligt bij Gods Geest wij zullen leven.

Hij zegt daarover:

Want zij, die naar het vlees zijn, hebben de gezindheid van het vlees, en zij, die naar de Geest zijn, hebben de gezindheid van de Geest. Want de gezindheid van het vlees is de dood, maar de gezindheid van de Geest is leven en vrede. Daarom dat de gezindheid van het vlees vijandschap is tegen God; want het onderwerpt zich niet aan de wet Gods; trouwens, het kan dat ook niet: zij, die in het vlees zijn, kunnen Gode niet behagen. Gij daarentegen zijt niet in het vlees, maar in de Geest, althans, indien de Geest Gods in u woont. Indien iemand echter de Geest van Christus niet heeft, die behoort Hem niet toe (Romeinen 8:5-10)

Duidelijke taal. Het is dus niet de mate waarin we in staat zijn ons ‘oude’ gedrag het hoofd te bieden, wat van doorslaggevend belang is, maar de gesteldheid van ons hart. Hoe is onze gezindheid? Hebben we de gezindheid van de Geest omdat deze Geest in ons woont of is onze gezindheid in het vlees omdat we ons daarvoor interesseren? De gesteldheid van je hard beïnvloedt samen met de Heilige Geest je interesse en motiveert je gedrag.

De oplossing van het zondeprobleem

De strijd tussen ons vlees en ons verstand kan worden overwonnen door de Geest van Christus. Paulus zegt hierover:

Indien Christus in u is, dan is wel het lichaam dood vanwege de zonde, maar de geest is leven vanwege de gerechtigheid. En indien de Geest van Hem, die Jezus uit de doden heeft opgewekt, in u woont, dan zal Hij, die Christus Jezus uit de doden opgewekt heeft, ook uw sterfelijke lichamen levend maken door zijn Geest, die in u woont.(Romeinen 8:11)

Hier gaat het dus om: ons sterfelijke lichaam kan weer levend worden gemaakt door de Geest van God die in ons woont. Dezelfde Geest die Jezus weer uit de doden heeft opgewekt, kan ook ons weer levend maken.

Dit levend maken, heeft aan de ene kant te maken met de opstanding van de doden zoals die zal plaatsvinden op de nieuwe aarde, maar dit levend maken heeft ook zeker betekenis in de zin van overwinnen over de macht die de dood over ons lichaam had door onze zonde.

Maar Gods Geest staat ons ook bij:

En evenzo komt de Geest onze zwakheid te hulp; want wij weten niet wat wij bidden zullen naar behoren, maar de Geest zelf pleit voor ons met onuitsprekelijke verzuchtingen. En Hij, die de harten doorzoekt, weet de bedoeling des Geestes, dat Hij namelijk naar de wil van God voor heiligen pleit. Wij weten nu, dat God alle dingen doet medewerken ten goede voor hen, die God liefhebben, die volgens zijn voornemen geroepenen zijn. Want die Hij tevoren gekend heeft, heeft Hij ook tevoren bestemd tot gelijkvormigheid aan het beeld zijns Zoons, opdat Hij de eerstgeborene zou zijn onder vele broederen; (Romeinen 8:24-29)

Kortom de Geest van God wil zich ervoor inspannen om onze zondige aard om te buigen naar het beeld van de Zoon: Hij wil ons gelijk doen laten worden aan Christus en die was zonder zonde.

De oplossing voor het zondeprobleem is dus niet krampachtig proberen de wet van God te houden maar, met heel ons hart God willen dienen en door de Geest van God veranderd te worden naar het beeld van Christus: Hij is de vervulling van de Wet, door zo te worden zul je ook geen behoefte hebben om iemand te doden, iets te stelen of te liegen. Zo zul je niet tegen begeerten hoeven te vechten omdat deze op den duur verdwijnen.

Betekent dit dat je zelf geen verantwoording hebt voor je daden? Nee maar heb je wel eens jeuk gehad en je voorgenomen om niet te krabben? Er zijn bepaalde dingen waarvan ik weet dat ze niet goed zijn die ik gewoon niet kan laten. Dit gaat gelukkig niet op voor moord en vergelijkbare ernstige zonden, maar voor sommige andere dingen wel. Natuurlijk ben je zelf verantwoordelijk maar, verschillende dingen waar ik erg mee liep te tobben waren soms in eens weg: de ‘jeuk’ was weg.

Vragen:

1. Herken jij iets van de genoemde strijd tussen het vlees en de geest?2. Zo ja hoe ervaar je dit: vind je dat erg of niet zo?
3. Herken jij iets van de nederlandse Amerikaan?
4. Herken je ook iets van de geschetste oplossing?
5. Zou jij die oplossing willen ervaren in je leven?
6. Zou jij de Heilige Geest willen ontvangen in je leven?

 

Hoofdstuk 10

Wat nu met Israël (Romeinen 9-11)

Inleiding

Het gaat in de Romeinenbrief dus om de vraag naar de relatie van Israël en de kerk. We hebben gezien dat Paulus duidelijk maakt dat het niet om afkomst of goede werken die voortkomen uit het navolgen van de wet gaat, maar om Gods genade en het werk van Jezus voor ons. Het komt er dus niet op aan dat we Joden zijn of niet, maar of we Jezus volgen en zijn aangeboden oplossing voor onze zonde accepteren. Maar hoe nu verder dan met Israël. Het volk was toen net zo goed als nu een feit. Grof gezegd: “nu hun boodschap is vervangen door het evangelie, wat moeten we nu nog met het Joodse volk?”

Als je de geschiedenis van het Jodendom in Europa beschouwt, en ziet hoeveel de Joden onder de christenen hebben moeten lijden, kun je je afvragen of dit nu een van de teksten is geweest waarmee hier de kiem wordt werd gelegd. Heeft het fenomeen wat in Europa zo schandelijk ‘het joden probleem’ werd genoemd een Bijbelse bodem? Zwart-wit werd gesteld: “God heeft met het evangelie de deur voor het geloof open gezet voor alle volken, dus waarom nog een uitverkoren volk?” Is Israël historisch gezien (voor henzelf) een drama? Was het niet beter geweest als de Joden als volk, net als vele andere volken gewoon op waren gegaan in de volkerenmassa en hadden gedeeld in het geloof van deze volken bij voorkeur het christelijk geloof? Dit zou betekenen dat God zich had vergist. Het heeft God behaagd om het volk als volk dwars door de verdrukking van de Middeleeuwen en daarna te bewaren. Zeker nu de staat Israël weer een feit is, en het volk toch nog niet is overgegaan tot het christendom maar het er wel op lijkt dat God deze situatie leidt, vragen mensen zich af of God dan Joodse geloof als een gelijkwaardige manier beschouwd (aan het christelijk geloof) om tot God te komen. Is Israël niet, zoals dat nu wel wordt gezegd, de oudere broer van de kerk? Twee broers van één en dezelfde Vader. Twee broers die God even lief heeft?

Zijn Israël en de kerk twee gelijkwaardige wegen tot God

Dat het volk Israël (nog steeds) Gods volk is, betekent niet dat zij het evangelie niet nodig hebben. De geschiedenis laat zien dat eerst de Joden de christenen hebben vervolgd na ongeveer 324nC. sloeg dit om in het vervolgen van de kerk van Israël. Als het christelijk geloof en het joodse geloof menselijke bedenkselen zouden zijn geweest zou je kunnen zeggen dat het ene beter is dan het andere. Zoals het ene politieke of economische systeem beter wordt gevonden dan het andere. Er zullen nu nog maar weinig mensen zijn die het Middeleeuwse feodale stelsel boven de democratie waarderen of (in het Westen) het communisme boven de vrije markteconomie. Maar het was God zelf die Abraham riep om een zegen te worden voor alle volken en het was God zelf die Jezus naar de aarde stuurde om voor onze zonden te sterven. Stuurde God Jezus dan niet voor de Joden? Dat zou toch raar zijn, immer Jezus was zelf als mens een Jood. En als het jodendom en het houden van de wet een afdoende manier was om God te dienen, waarom moest Christus dan nog sterven? Dan zouden alle mensen zich toch tot het Jodendom kunnen bekeren en dan was het hele offer van Jezus nergens voor nodig geweest. Nergens uit de Bijbel blijkt dat dan ook. Paulus gaat er ook niet vanuit dat dit zo is. Hij zegt over hun ongeloof in het evangelie:

Ik spreek de waarheid in Christus, ik lieg niet, want mijn geweten betuigt mij dit mede door de heilige Geest: Ik heb een grote smart en een voortdurend hartzeer. Want zelf zou ik wel wensen van Christus verbannen te zijn ten behoeve van mijn broeders, mijn verwanten naar het vlees; (Romeinen 9:1-2)

Paulus heeft een voortdurend verdriet over het ongeloof van Israël. Dit had hij helemaal niet hoeven hebben als Israël er op zijn eigen manier wel had gekomen.

Waarom heeft God geen behagen gehad in het geloof van Israël?

Het Joodse geloof heeft, net als later bij veel strenge protestantse kerken gebeurde, schipbreuk geleden onder hun nauwgezette werken wan de wet.

Wat zullen wij dan zeggen? Dit: heidenen, die geen gerechtigheid najaagden, hebben gerechtigheid verkregen, namelijk gerechtigheid, die uit geloof is; doch Israël, hoewel het een wet ter gerechtigheid najaagde, is aan de wet niet toegekomen. Waarom niet? Omdat het hierbij niet uitging van geloof, maar van vermeende werken. Zij hebben zich gestoten aan de steen des aanstoots, gelijk geschreven staat: Zie, Ik leg in Sion een steen des aanstoots en een rots der ergernis, en wie op hem zijn geloof bouwt, zal niet beschaamd uitkomen. (Romeinen 9:30-32)

De Joden hadden zich zo blindgestaard op de wet dat ze de kern van Gods plan en het wezen van God uit het oog verloren. ‘Hun’ wet was hun tot god geworden, en er was geen plaats meer voor God zelf.

Israël heeft dus geen bijzonder positie voor God omdat ze zo goed zijn, maar omdat hij hen heeft uitverkoren in Abraham.

God heeft echter ook de niet-joden op het oog en wil net zo goed ook hen behouden:

En dat zijn wij, die Hij geroepen heeft, niet alleen uit de Joden, maar ook uit de heidenen, gelijk Hij ook bij Hosea zegt: Ik zal niet-mijn-volk noemen: mijn-volk, en de niet-geliefde: geliefde. En het zal geschieden ter plaatse, waar tot hen gezegd was: gij zijt mijn volk niet, daar zullen zij genoemd worden: zonen van de levende God. (Romeinen 9:24-25)

God had meer op het oog dan alleen Zijn volk aan de kust van de Middelandsezee: God schiep de mens niet met Abraham: het joodse volk, maar met Adam: alle volken. God heeft Israël wel een bijzondere plaats gegeven in de wereldgeschiedenis maar de Joden hebben geen streepje voor bij Hem. Er is geen reden om te geloven dat God meer van Joden houdt dan van leden van een inlandse stam in Afrika, of dat Hij het erger vindt dat zij verloren gaan dan mensen uit Denemarken. God heeft het volk door de eeuwen heen niet afgeschermd van het evangelie, maar hen als volk laten bestaan te midden van de andere volken.

Je kunt je overigens gerust afvragen of het christelijk geloof van de Middeleeuwen wel een ‘beter’ geloof was dan het jodendom uit die tijd. Dit christelijke geloof stond zo ver van de bron dat het zeker geen verbetering voor de Joden zou zijn geweest als ze dat zouden hebben beleden boven hun traditie.

Waarom heeft God dit volk dan door de eeuwen heen laten bestaan

Het is ontegenzeggelijk dat Israël het werk is van God. Hij heeft er zelf voor gezorgd dat het volk door alle eeuwen heen is blijven bestaan. Zou de gedachte niet gerechtvaardigd zijn dat het volk er beter aan toe was geweest als het was verdwenen in de volken, volkomen was geassimileerd? Dit is niet gebeurd, sterker nog het ziet er naar uit dat het volk een nieuwe start gaat maken in diens eigen land. Deze gebeurtenissen zijn dan ook voor velen de reden waarom ze denken dat God wel een bijzondere bedoeling heeft met het volk. Daaruit menen zij dan dat God in elk geval het Jodendom als een gelijkwaardige manier beschouwd om tot Hem te naderen. Waar we het hierboven over hadden.

Maar waarom heeft God Israël dan niet laten verdwijnen in de volken, waarom heeft Hij het laten bestaan? Paulus begint met te stellen dat God Israël niet heeft uitverkoren boven de andere volken van wegen hun afkomst maar van wegen zijn belofte:

Maar het is niet mogelijk, dat het woord Gods zou vervallen zijn. Want niet allen, die van Israel afstammen, zijn Israel, en zij zijn ook niet allen kinderen, omdat zij nageslacht van Abraham zijn, maar: Door Isaak zal men van nageslacht van u spreken. Dat wil zeggen: niet de kinderen van het vlees zijn kinderen Gods, maar de kinderen der beloften gelden voor nageslacht. (Romeinen 9:6-8)

Maar welke waren dan die beloften? Feitelijk zijn dat er erg veel en ter wille van het onderwerp zullen er maar een paar worden aan gehaald.

God roept Abraham en belooft hem:

De Here nu zeide tot Abram: Ga uit uw land en uit uw maagschap en uit uws vaders huis naar het land, dat Ik u wijzen zal; Ik zal u tot een groot volk maken, en u zegenen, en uw naam groot maken, en gij zult tot een zegen zijn. Ik zal zegenen wie u zegenen, en wie u vervloekt zal Ik vervloeken, en met u zullen alle geslachten des aardbodems gezegend worden. (Genesis 12:1-3)

Later openbaart God zich nogmaals aan Abraham en belooft hem:

Toen leidde Hij hem naar buiten, en zeide: Zie toch op naar de hemel en tel de sterren, indien gij ze tellen kunt; en Hij zeide tot hem: Zo zal uw nageslacht zijn. En hij geloofde in de Here, en Hij rekende het hem toe als gerechtigheid. En Hij zeide tot hem: Ik ben de Here, die u uit Ur der Chaldeeen heb geleid om u dit land in bezit te geven. (Genesis 15:5-6)

God voorspelt Abraham zelfs al de slavernij die zijn nageslacht zal ondergaan in Egypte en hoe lang ze daar zouden zijn:

En Hij zeide tot Abram: Weet voorzeker, dat uw nakomelingen vreemdelingen zullen zijn in een land, dat het hunne niet is, en dat zij hen dienen zullen, en dat die hen zullen verdrukken, vierhonderd jaar. Doch ook het volk, dat zij zullen dienen, zal Ik richten, en daarna zullen zij met grote have uittrekken. Maar gij zult in vrede tot uw vaderen gaan; gij zult in hoge ouderdom begraven worden. Het vierde geslacht echter zal hierheen wederkeren, want eerder is de maat van de ongerechtigheid der Amorieten niet vol. Te dien dage sloot de Here een verbond met Abram, zeggende: Aan uw nageslacht zal Ik dit land geven, van de rivier van Egypte tot de grote rivier, de rivier de Eufraat: (Genesis 15:13-18)

God belooft Israël door de profetie van Jesaja:

En het zal geschieden in het laatste der dagen: dan zal de berg van het huis des Heren vaststaan als de hoogste der bergen, en hij zal verheven zijn boven de heuvelen. En alle volkeren zullen derwaarts heenstromen en vele natien zullen optrekken en zeggen: Komt, laten wij opgaan naar de berg des Heren, naar het huis van de God Jakobs, opdat Hij ons lere aangaande zijn wegen en opdat wij zijn paden bewandelen. Want uit Sion zal de wet uitgaan en des Heren woord uit Jeruzalem. En Hij zal richten tussen volk en volk en rechtspreken over machtige natien. Dan zullen zij hun zwaarden tot ploegscharen omsmeden en hun speren tot snoeimessen; geen volk zal tegen een ander volk het zwaard opheffen, en zij zullen de oorlog niet meer leren. Huis van Jakob, komt, laten wij wandelen in het licht des Heren. (Jesaja 2:2-5)

Nogmaals: het gaat erg ver om hier diep op in te gaan. Misschien inspireert het je om de Bijbel er eens op te bestuderen. Vooralsnog zal hier allen even worden stilgestaan bij de vraag wat Paulus over de toekomst van het Joodse volk zegt.

Wat zegt de Romeinenbrief over de toekomst van Israël

Heel in het kort, Paulus zegt dit over de toekomst van Israël:

Want, broeders, opdat gij niet eigenwijs zoudt zijn, wil ik u niet onkundig laten van dit geheimenis; een gedeeltelijke verharding is over Israel gekomen, totdat de volheid der heidenen binnengaat, en aldus zal gans Israel behouden worden, gelijk geschreven staat: De Verlosser zal uit Sion komen, Hij zal goddeloosheden van Jakob afwenden. (Romeinen 11:25-26)

Dit staat dus nog te gebeuren. De verharding van Israël wordt op een moment in de toekomst weggenomen en dan zal heel het volk Israël behouden worden. Sinds de tijd waarin dit is geschreven is dit nog niet gebeurd, dus moet het in de toekomst liggen. Er staan erg veel teksten in het Oude en Nieuwe Testament die hierover gaan.

God heeft Abraham niet geroepen om tot een volk van verschoppelingen te worden over deze wereld, zoals ze dat voor het belangrijkste deel van hun geschiedenis zijn geweest, maar om als Zijn volk een vooruitgeschoven plaats te krijgen in de wereld als Jezus terugkomt. Alleen al het herstel van de staat Israël is een teken dat de voorbereidingen in Gods plan hiervoor in volle gang zijn.

Vragen:

1. Spreekt dit Bijbelgedeelte je aan?
2. Hoe kijk jij tegen Israël aan?
3. Israël is een bijzonder volk met bijzondere geschiedenis. Geloof jij dat God ‘hierachter’ zit?
4. Denk je wel eens na over waar het op zal uidraaien met het huidige Israël?
5. Ken je Bijbelteksten over de toekomst van Israël?

 

Hoofdstuk 11

vermaningen, plannen en groeten (Romeinen 12- 16)

Inleiding

Nu is het natuurlijk bijna niet mogelijk om in één kort hoofdstukje al deze 5 hoofdstukken van Romeinen te behandelen. Toch gaan we dat doen.

Toen Fransiscus van Assisie op zijn sterfbed lag. Liet hij in zijn testament opnemen dat hij niet wilde dat er iemand ooit zijn werken zou interpreteren. Hij was daar heel stellig in omdat hij wist dat mensen zijn woorden daar alleen maar mee zouden ontkrachten. Nu is st. Paulus niet st. Fransiscus en dat wat Paulus zei is niet meer zo makkelijk te begrijpen voor de niet in het Jodendom ingevoerde of inwoner van het Romeinse rijk, dus kan het geen kwaad om de woorden van de Romeinenbrief wel uit te leggen. En gelukkig heeft Paulus ons dit ook niet verboden. Toch zou dit laatste stuk van de Romeinenbrief uitgelegd kunnen worden met de mededeling: lees maar wat er staat. Er is geen woord Frans bij.

Stel je leven in dienst van God Romeinen 12:1

Ik vermaan u dan, broeders, met beroep op de barmhartigheden Gods, dat gij uw lichamen stelt tot een levend, heilig en Gode welgevallig offer: dit is uw redelijke eredienst. Laat je niet leiden door wat de wereld voorhoudt wat goed en kwaad is 2 En wordt niet gelijkvormig aan deze wereld, maar wordt hervormd door de vernieuwing van uw denken, opdat gij moogt erkennen wat de wil van God is, het goede, welgevallige en volkomene. Wees niet overmoedig niet iedereen hoeft hetzelfde te zijn Want krachtens de genade, die mij geschonken is, zeg ik een ieder onder u: koestert geen gedachten, hoger dan u voegen, maar gedachten tot bedachtzaamheid, naar de mate van het geloof, dat God elkeen in het bijzonder heeft toebedeeld. Want, gelijk wij in een lichaam vele leden hebben, en de leden niet alle dezelfde werkzaamheden hebben, zo zijn wij, hoewel velen, een lichaam in Christus, maar ieder afzonderlijk leden ten opzichte van elkander. Wij hebben nu gaven, onderscheiden naar de genade, die ons gegeven is: profetie, naar gelang van ons geloof; wie dient, in het dienen; wie onderwijst, in het onderwijzen; wie vermaant, in het vermanen; wie mededeelt, in eenvoud; wie leiding geeft in ijver; wie barmhartigheid bewijst, in blijmoedigheid. (3-8)

Regels

9 De liefde zij ongeveinsd. Weest afkerig van het kwade, gehecht aan het goede. 10 Weest in broederliefde elkander genegen, in eerbetoon elkander ten voorbeeld, 11 in ijver onverdroten, vurig van geest, dient de Here.Zelf spreekt mij het wel aan dat Paulus oproept vurig van geest te zijn. Je mag/moet net zo vurig van geest zijn voor Christus als een Italiaan voor zijn eer. 12 Weest blijde in de hoop, geduldig in de verdrukking, volhardend in het gebed, 13 bijdragend in de noden der heiligen, legt u toe op de gastvrijheid. 14 Zegent wie u vervolgen, zegent en vervloekt niet. 15 Weest blijde met de blijden, weent met de wenenden. 16 Weest onderling eensgezind, niet zinnende op hoge dingen, maar voegt u in het eenvoudige. Weest niet eigenwijs.(Oeps…) 17 Vergeldt niemand kwaad met kwaad; hebt het goede voor met alle mensen. 18 Houdt zo mogelijk, voor zover het van u afhangt, vrede met alle mensen. 19 Wreekt uzelf niet, geliefden, maar laat plaats voor de toorn, want er staat geschreven: Mij komt de wraak toe, Ik zal het vergelden, spreekt de Here. 20 Maar, indien uw vijand honger heeft, geef hem te eten; indien hij dorst heeft, geef hem te drinken, want zo zult gij vurige kolen op zijn hoofd hopen. 21 Laat u niet overwinnen door het kwade, maar overwin het kwade door het goede.

Onze houding ten opzichte van de overheid

Dit zegt Paulus die verschillende keren door de overheid in de gevangenis heeft gezeten voor zijn geloof en er zelfs voor terecht is gesteld.

Romeinen 13

1 Ieder mens moet zich onderwerpen aan de overheden, die boven hem staan. Want er is geen overheid dan door God en die er zijn, zijn door God gesteld. Wie zich dus tegen de overheid verzet, wederstaat de instelling Gods, en wie dit doen, zullen een oordeel over zich brengen. Want, als iemand goed handelt, behoeft hij niet bevreesd te zijn voor de overheidspersonen, maar wel, als hij verkeerd handelt. Wilt gij zonder vrees voor de overheid zijn? Doe het goede, en gij zult lof van haar ontvangen. Zij staat immers in dienst van God, u ten goede. Maar indien gij kwaad doet wees dan bevreesd; want zij draagt het zwaard niet tevergeefs; zij staat immers in de dienst van God, als toornende wreekster voor hem, die kwaad bedrijft. 5 Daarom is het nodig zich te onderwerpen, niet slechts om de toorn, maar ook om des gewetens wil. 6 Daarom brengt gij toch ook belastingen op; want zij zijn dienaren Gods, die juist op dit punt voortdurend letten. 7 Betaalt aan allen het verschuldigde, belasting aan wie belasting, tol aan wie tol, ontzag aan wie ontzag, eerbetoon aan wie eer toekomt. Hebt elkaar lief 8 Zijt niemand iets schuldig dan elkander lief te hebben; want wie de ander liefheeft, heeft de wet vervuld. 9 Want de geboden: gij zult niet echtbreken, gij zult niet doodslaan, gij zult niet stelen, gij zult niet begeren en welk ander gebod er ook zij, worden samengevat in dit woord: gij zult uw naaste liefhebben als uzelf. 10 De liefde doet de naaste geen kwaad; daarom is de liefde de vervulling der wet. Wees waakzaam: Jezus komt spoedig 11 ¶ Gij verstaat immers de tijd wel, dat het thans voor u de ure is om uit de slaap te ontwaken. Want het heil is ons nu meer nabij, dan toen wij tot het geloof kwamen. 12 De nacht is ver gevorderd, de dag is nabij. Laten wij dan de werken der duisternis afleggen en aandoen de wapenen des lichts! 13 Laten wij, als bij lichte dag, eerbaar wandelen, niet in brasserijen en drinkgelagen, niet in wellust en losbandigheid, niet in twist en nijd! 14 Maar doet de Here Jezus Christus aan en wijdt geen zorg aan het vlees, zodat begeerten worden opgewekt. Aanvaart elkaar in hoe jullie je geloof inhoud wil geven Dit is geen oproep om allemaal de Bijbel maar zo te interpreteren als het je het beste lijkt. Sommige mensen presteren het om hun eigen mening als bijbels te verkondigen en doen dan een beroep op deze tekst als iemand hen probeert te overtuigen dat dit niet klopt. Als Paulus met onderstaande zou bedoelen dat we het allemaal goed doen zolang we het goed bedoelen en God ermee willen dienen, dan had hij de rest van de brieven wel over kunnen slaan.

Romeinen 14

Aanvaardt de zwakke in het geloof, maar niet om overwegingen te beoordelen. De een gelooft, dat hij alles eten mag, maar de zwakke eet plantaardig voedsel. Wie wel eet, minachte hem niet, die niet eet, en wie niet eet, oordele hem niet, die wel eet, want God heeft hem aanvaard. Wie zijt gij, dat gij eens anders knecht oordeelt? Of hij staat of valt, gaat zijn eigen heer aan. Maar hij zal staande blijven, want de Here is bij machte hem vast te doen staan. Deze immers stelt de ene dag boven de andere, gene stelt ze alle gelijk. Ieder zij voor zijn eigen besef ten volle overtuigd. Wie aan een bepaalde dag hecht, doet het om de Here, en wie eet, doet het om de Here, want hij dankt God; en wie niet eet, laat het na om de Here en ook hij dankt God. Want niemand onzer leeft voor zichzelf, en niemand sterft voor zichzelf; want als wij leven, het is voor de Here, en als wij sterven, het is voor de Here. Hetzij wij dan leven, hetzij wij sterven, wij zijn des Heren Want hiertoe is Christus gestorven en levend geworden, opdat Hij en over doden en over levenden heerschappij voeren zou. Gij echter, wat oordeelt gij uw broeder? Of ook gij, wat minacht gij uw broeder? Want wij zullen allen gesteld worden voor de rechterstoel Gods. Want er staat geschreven: Zo waarachtig alsIk leef, spreekt de Here: voor Mij zal alle knie zich buigen, en alle tong zal God loven. Zo zal dan een ieder onzer voor zichzelf rekenschap geven aan God. Laten wij dan niet langer elkander oordelen, maar komt liever tot dit oordeel: uw broeder geen aanstoot of ergernis te geven. (Romeinen 14:1-13)

Dit verdragen en niet oordelen, spitst Paulus toe op het eten van voedsel Dit eten van vlees was in die dagen sterk verbonden aan de godsdienst. Zo mochten de Joden, zowel als de heidenen alleen vlees eten dat volgens hun eigen rituelen geslacht was. Dit betekende ook dat dit vlees aan de afgoden was geofferd en dus het ‘bezit’ was van deze goden. De vraag waar nogal wat christenen mee zaten was of zij dit wel mochten eten: immers zouden zij niet geestelijk worden besmet door dit te eten. Paulus stelt heel eenvoudig dat dit niet zo is. Lees maar.

 

14 Ik weet en ben overtuigd in de Here Jezus, dat niets uit zichzelf onrein is; alleen voor hem, die iets onrein acht, is het onrein. 15 Want indien uw broeder door iets, dat gij eet, gegriefd wordt, wandelt gij niet meer naar de eis der liefde. Breng niet door uw eten hem ten verderve, voor wie Christus gestorven is. 16 Laat van het goede, dat gij hebt, geen kwaad gezegd kunnen worden. 17 Want het Koninkrijk Gods bestaat niet in eten en drinken, maar in rechtvaardigheid, vrede en blijdschap, door de Heilige Geest. 18 Want wie door deze Geest een dienstknecht is van Christus, is welgevallig bij God, en in achting bij de mensen. 19 Zo laten wij dan najagen hetgeen de vrede en de onderlinge opbouwing bevordert. 20 Breek niet ter wille van spijs het werk Gods af; alles is wel rein, maar het is verkeerd voor een mens, als hij door zijn eten tot aanstoot is. 21 Het is goed geen vlees te eten of wijn te drinken, noch iets, waaraan uw broeder zich stoot. 22 Houd gij het geloof, dat gij hebt bij uzelf voor het aangezicht Gods. Zalig is hij, die zich geen verwijten maakt bij hetgeen hij goed acht. 23 Maar wie twijfelt, wanneer hij eet, is veroordeeld, omdat hij het niet uit geloof doet. En al wat niet uit geloof is, is zonde.

Doe de groeten aan Ofschoon Paulus nog niet in Rome is geweest, kent hij wel veel mensen die daar wonen. Hij groet verschillende. Sommige namen kom je ook in andere brieven of in het verlag dat Lucas schreef over de werken van de apostelen (Handelingen) tegen.

Romeinen 16

1 Ik beveel Febe, onze zuster, tevens dienares der gemeente te Kenchreeen, bij u aan, 2 dat gij haar ontvangt in de Here op een wijze, de heiligen waardig, en haar bijstaat, indien zij u in het een of ander mocht nodig hebben. Want zij zelf heeft velen, ook mij persoonlijk, bijstand verleend. 3 Groet Prisca en Aquila, mijn medearbeiders in Christus Jezus, 4 mensen, die voor mijn leven hun hals gewaagd hebben. Niet ik alleen ben hun dankbaar, maar ook al de heidengemeenten. 5 Groet insgelijks de gemeente bij hen aan huis. Groet mijn geliefde Epenetus de eersteling voor Christus uit Asia. 6 Groet Maria, iemand, die zich veel moeite voor u heeft gegeven. 7 Groet Andronikus en Junias, mijn stamgenoten en medegevangenen, mannen onder de apostelen in aanzien, die reeds voor mij in Christus geweest zijn. 8 Groet Ampliatus, mijn geliefde in de Here. 9 Groet Urbanus, onze medewerker in Christus, en mijn geliefde Stachys. 10 Groet Apelles, die in Christus beproefd gebleken is. Groet hen, die behoren tot de kring van Aristobulus. 11 Groet mijn stamgenoot Herodion. Groet hen, die behoren tot de kring van Narcissus, die in de Here zijn. 12 Groet Tryfena en Tryfosa, vrouwen, die zich moeite gegeven hebben in de Here. Groet de geliefde Persis, die zich veel moeite gegeven heeft in de Here. 13 Groet Rufus, de uitverkorene in de Here, met zijn moeder, die ook voor mij een moeder is. 14 Groet Asynkritus, Flegon, Hermes, Patrobas, Hermas, en de broeders bij hen. 15 Groet Filologus, en Julia, Nereus met zijn zuster, en Olympas, benevens al de heiligen, die bij hen zijn. 16 Groet elkander met de heilige kus. U groeten al de gemeenten van Christus. Vermijd de omgang met mensen die het evangelie verdraaien 17 Maar ik vermaan u, broeders, dat gij hen in het oog houdt, die, in afwijking van het onderwijs, dat gij hebt ontvangen, de onenigheden en de verleidingen veroorzaken, en mijdt hen. 18 Want zulke lieden dienen niet onze Here Christus, maar hun eigen buik, en misleiden door hun schoonklinkende en vrome taal de harten der argelozen. 19 Want uw gehoorzaamheid is bij allen bekend geworden. Over u verblijd ik mij dus, doch ik wil, dat gij niet alleen wijs zijt tot het goede, maar ook onbesmet van het kwade. 20 De God nu des vredes zal weldra de satan onder uw voeten vertreden. De genade van onze Here Jezus zij met u! 21 Mijn medearbeider Timoteus en mijn stamgenoten Lucius, Jason en Sosipater, groeten u. 22 Ik, Tertius, die de brief op schrift gebracht heb, groet u in de Here. 23 Gajus, wiens gastvrijheid ik en de gehele gemeente genieten, laat u groeten. U groet Erastus, de stadsrentmeester, en Quartus, de broeder. 24 De genade van onze Here Jezus Christus zij met u allen. Amen. 25 Hem nu, die bij machte is u te versterken (naar mijn evangelie en de prediking van Jezus Christus, naar de openbaring van het geheimenis, eeuwenlang verzwegen, 26 maar thans geopenbaard en door profetische schriften volgens bevel van de eeuwige God tot bewerking van gehoorzaamheid des geloofs bekendgemaakt onder alle volken) 27 Hem, de alleen wijze God, zij, door Jezus Christus, de heerlijkheid in alle eeuwigheid! Amen.

 

©Kees_Middelbeek