Weet Jezus (niet) wanneer Hij terug op aarde komt? (1)

Terwijl de discipelen nog naar boven staarden, nadat Jezus naar de hemel was gevaren, stonden er plotseling twee engelen in hun midden. Zij zeiden dat Jezus op dezelfde manier, zoals Hij naar de hemel was gevaren, op een dag ook weer terug zou komen.

Er zijn waarschijnlijk altijd wel discipelen geweest die hopen dat ze het zelf nog zouden meemaken dat Jezus terugkomt. Zij zochten daarom naar aanwijzingen in de wereld die erop zouden kunnen wijzen dat dit aanstaande was. Er zijn er waarschijnlijk ook altijd geweest die het zonden van hun tijd vonden om zich daarmee bezig te houden. Deze tweede groep beroept zich er niet zelden op dat Jezus Zelf heeft gezegd dat zelfs Hij en de engelen niet weten wanneer Hij terug zal komen.

De tekst die dat lijkt te zeggen staat in Mattheüs 24. Dat gedeelte beschrijft wat Jezus over de eindtijd aan zijn discipelen vertelt.

31  En Hij zal zijn engelen uitzenden met luid bazuingeschal en zij zullen zijn uitverkorenen verzamelen uit de vier windstreken, van het ene uiterste der hemelen tot het andere. 32 Leert dan van de vijgenboom deze les: Wanneer zijn hout reeds week wordt en de bladeren doet uitspruiten, weet gij daaraan, dat de zomer nabij is. 33  Zo moet ook gij, wanneer gij dit alles ziet, weten, dat het nabij is, voor de deur. 34  Voorwaar, Ik zeg u, dit geslacht zal geenszins voorbijgaan, voordat dit alles geschiedt. 35  De hemel en de aarde zullen voorbijgaan, maar mijn woorden zullen geenszins voorbijgaan. 36  Doch van die dag en van die ure weet niemand, ook de engelen der hemelen niet, ook de Zoon niet, maar de Vader alleen. Mattheüs 24

God zal volgens deze tekst, zijn engelen uitzenden om de uitverkorenen te verzamelen van de uiterste van de hemelen. De aarde zoals wij die nu kennen zal dan voorbij gaan, maar wanneer dat zal zijn, zo zegt Jezus; dat weet alleen de Vader.

Voor orthodoxe christenen de Bijbel als Gods Woord erkennen is het duidelijk dat dat wat hier staat, waar is. Als Jezus dus zegt dat noch de engelen, noch de Hijzelf weten wanneer die dag zal aanbreken, dan is dat zo. Dan hoeft daar niet aan getwijfeld te worden. Wat moeten we hier dan nog verder over zeggen?

De exegeet die zich over deze tekst buigt, zal het allereerst opvallen dat ze in tegenwoordige tijd staat. Op het moment dat Jezus dat zei wist Hij dat dus niet. De dag dat Jezus dat zei is echter lang geleden. De vraag is: is er reden om aan te nemen dat Hij dat ook nu ook nog niet weet?

Waar gaat het over in Mattheüs?

Jezus heeft het in Mattheüs 24 over de Grote Verdrukking die zal komen over de hele aarde en over Zijn komst die zal plaatsvinden na die Verdrukking.

15  Wanneer u dan de gruwel van de verwoesting, waarvan gesproken is door de profeet Daniël, zult zien staan op de heilige plaats -laat hij die het leest, daarop letten! – 16  laten dan zij die in Judea zijn, vluchten naar de bergen. 17  Wie op het dak is, moet niet naar beneden gaan om iets uit zijn huis te halen, 18  en wie op de akker is, moet niet terugkeren naar wat hij achterliet om zijn kleren te halen. 19  Maar wee de zwangeren en de zogenden in die dagen! 20  En bid dat uw vlucht niet zal plaatsvinden in de winter en ook niet op een sabbat.

Waarom moeten zij die de gruwel van de verwoesting zien vluchten naar de bergen, zegt Jezus? Waarom moeten zij die op het dak zijn en die op het veld zijn niet aarzelen? Het antwoord hierop is volgens Hem:

21  Want dan zal er een grote verdrukking zijn, zoals er niet geweest is vanaf het begin van de wereld, tot nu toe, en zoals er ook nooit meer zijn zal. (…) 26  Als men dan tegen u zal zeggen: Zie, Hij is in de woestijn; ga er niet opuit; zie, Hij is in de binnenkamers, geloof het niet, 27  want zoals de bliksem vanuit het oosten komt en zichtbaar is tot in het westen, zo zal ook de komst van de Zoon des mensen zijn. (Mattheüs 24 )

Jezus zegt dat er een tijd van verdrukking zal komen die zo groot is dat er nooit eerder zoiets heeft plaatsgevonden. Die tijd die Jezus beschrijft is bekend als de Grote Verdrukking.

De Bijbel spreekt op meer plaatsen over die Grote Verdrukking. Wellicht vinden we op die plaatsen antwoord op de vraag of Jezus ook nu nog niet weet wanneer Hij op aarde terugkomt.

Er is een Bijbelboek dat voor het grootste deel gaat over de Grote Verdrukking. Dit is de Openbaring van Johannes. De eerste keer dat er in de Openbaring over de Verdrukking wordt gesproken is in hoofdstuk zeven. Johannes beschrijft daar dat hij een menigte mensen in de hemel ziet:

9  Hierna zag ik en zie, een grote menigte, die niemand tellen kon, uit alle naties, stammen, volken en talen, stond vóór de troon en vóór het Lam, bekleed met witte gewaden en palmtakken in hun hand. (Openbaring 7)

En een van de oudsten die hij eerder in het visioen heeft gezien, vraagt hem:

13 Dezen, die bekleed zijn met witte gewaden, wie zijn zij en waar zijn zij vandaan gekomen? (Openbaring 7)

Johannes weet dat niet en zegt:

14  U weet het, mijn heer. En hij zei tegen mij: Dezen zijn het die uit de grote verdrukking komen; en zij hebben hun gewaden gewassen en ze hebben hun gewaden wit gemaakt in het bloed van het Lam. (Openbaring 7)

Het boek de Openbaring is een profetie die bestaat uit 22 hoofdstukken. Het eerste hoofdstuk is de inleiding, hoofdstuk twee en drie zijn profetieën die gaan over de toekomst van de kerk, hoofdstuk vier beschrijft de troon van God in de hemel. Hoofdstuk zes beschrijft wat er op aarde zal gebeuren bij het openen van de zeven zegels van de boekrol.

In hoofdstuk zeven, worden deze mensen gezien, die te maken hebben met Grote Verdrukking.

De Openbaring beschrijft dezelfde Verdrukking als welke Jezus in Mattheüs 24 beschrijft.

In de Openbaring worden vele engelen beschreven en het is Jezus Zelf die de zegels gaat verbreken die de Verdrukking in gang gaan zetten. De vraag die we ons moeten stellen is: weet Jezus op het moment dat Hij de boekrol in Zijn hand heeft en de zegels zal gaan verbreken, nog steeds niet wanneer Hij zal terugkomen?

Wat wisten de engelen en Jezus wel tijdens de hemelvaart?

Voor we verder gaan, willen we stil staan bij de vraag wat Jezus en de engelen wel wisten over de Grote Verdrukking in de dagen dat Jezus op aarde wandelde.

We mogen aannemen dat Jezus de Bijbel goed kende en wist wat hierin staat met betrekking tot Zijn eigen wederkomt en de daaraan voorafgaande Grote Verdrukking.

Een profeet waar Jezus verschillende keren naar verwijst en die veel informatie heeft ontvangen over wat er gaat gebeuren in de laatste dagen, kort voor Jezus terugkomt op aarde was Daniël.

Daniël en de zeven jaarweken

Een zeer bekende profetie over de Grote Verdrukking staat in Daniël negen. Hierin beschrijft Daniël een profetie die gaat over zeventig weken.

24  Zeventig weken zijn bepaald over uw volk en uw heilige stad, om de overtreding te voleindigen, de zonde af te sluiten, de ongerechtigheid te verzoenen, en om eeuwige gerechtigheid te brengen, gezicht en profeet te bezegelen en iets allerheiligst te zalven.

25  Weet dan en versta: vanaf het ogenblik, dat het woord uitging om Jeruzalem te herstellen en te herbouwen tot op een gezalfde, een vorst, zijn zeven weken; en tweeënzestig weken lang zal het hersteld en herbouwd blijven, met plein en gracht, maar in de druk der tijden. (Daniël 9:  NBG)

De hele periode van het volk Israël is dus 70 weken. Die zeventig weken zijn nodig om het probleem van de zonden op te lossen, om een eeuwige gerechtigheid tot stand te brengen, om alle visioenen die in de Bijbel staan te vervullen en om de Heiligheid van de heiligheden te zalven.

Na deze 70 weken zijn dus alle beloften uit de Wet en de profetieën vervuld. Na deze 70 weken komt Jezus terug op aarde en vangt het Messiaanse vrederijk aan.

Waar hier wordt geschreven over weken, gaat het in de oorspronkelijke tekst om zeventallen. Het wordt bij het lezen al snel duidelijk dat het met die zeventig weken niet over een periode van krap anderhalf jaar gaat. De 70 zeventallen zijn 70 periodes van 7 jaar. Totaal dus 490 jaar.

Op het moment dat de Joden toestemming wordt gegeven om Jeruzalem en de tempel te herbouwen gaat de eerste van die 7 weken in.

Deze 70 weken worden in drie delen beschreven. Er is een periode van 7 weken, een van 62 weken en dan is er nog een van 1 week. De eerste periode van 7 weken draait het om de herbouw van Jeruzalem en de tempel, de tweede periode, die van 62 weken, is de tijd na de ballingschap. De derde periode lijkt er een beetje bij te hangen. Er zit een zeer lange periode tussen de 69 en 70 week. Aan het einde van de 69 week zo staat er:

26  Na de tweeënzestig weken zal de Messias uitgeroeid worden, maar het zal niet voor Hemzelf zijn. (Daniël 9: )

Nadat toestemming is gegeven om Jeruzalem en de tempel te herbouwen gaan er tot de Messias wordt uitgeroeid dus (7 plus 62=) 69 weken voorbij. Het is duidelijk dat de aanwijzing dat de Messias ‘niet voor Hemzelf maar voor anderen zal worden uitgeroeid’ wijst op het plaatsvervangend sterven van Jezus voor alle mensen, aan het kruis.

Die 7 en 62 weken samen zijn 69 * 7 weken = 490 jaar.

Het is bekend wanneer dat moment was dat er toestemming werd  gegeven om Jeruzalem en de tempel te herbouwen. Hierover staat in Nehemia:

1 ¶  Het gebeurde in de maand Nisan, in het twintigste jaar van koning Arthahsasta, toen er wijn voor hem gereedstond, dat ik de wijn nam en aan de koning gaf. Nu was ik nooit in zijn tegenwoordigheid verdrietig geweest. 2  Toen zei de koning tegen mij: Waarom staat uw gezicht zo verdrietig, terwijl u toch niet ziek bent? Dit is niets anders dan hartenpijn. Toen werd ik heel erg bevreesd. 3  Ik zei tegen de koning: Moge de koning in eeuwigheid leven! Waarom zou mijn gezicht niet verdrietig staan, als de stad, de plaats van de graven van mijn vaderen verwoest ligt en zijn poorten door vuur verteerd zijn?

4  De koning zei tegen mij: Wat verzoekt u dan? Toen bad ik tot de God van de hemel 5  en zei tegen de koning: Als het de koning goeddunkt, en als uw dienaar u welgevallig is, dat u mij dan naar Juda stuurt, naar de stad met de graven van mijn vaderen, zodat ik die weer op kan bouwen. (…)

6  Toen zei de koning tegen mij, terwijl de koningin naast hem zat: Hoelang zal uw reis duren en wanneer zult u terugkeren? Het was goed in de ogen van de koning. Hij liet mij gaan toen ik hem een bepaalde tijd opgegeven had.  (Nehemia 2: )

Arthahsata werd heerser over het Medische rijk in het jaar 465 voor Christus. Uit deze tekst blijkt dat Nehemia in het 20e jaar toestemming kreeg om de stad en tempel te herbouwen. Dat was dus in het jaar 445 voor Christus werd geboren.

Jezus begon te prediken toen Hij ongeveer 30 jaar oud was en stierf ongeveer 3 jaar later. Dit was dus 445 + 33 jaar = 478 jaar nadat Nehemia toestemming had gekregen om de stad en tempel te herbouwen.

De 69 ‘jaarweken’ waar de engel het over heeft zijn (69 * 7) = 483 jaar.

Het verschil is 5 jaar. Het is bekend dat er paar jaar onzekerheid bestaat over het begin van de jaartelling. Als we de exacte kalender zouden kennen, zou blijken dat die jaarweken een profetie zijn die de komst en dood van de Messias nauwkeurig beschrijven.

De 70 weken en de eindtijd

De profetie van de 70 weken spreekt over meer dan de eerste komst van de Messias om voor de zonden van de mensen te sterven. De profetie spreekt ook over de wederkomst van Jezus aan het einde van de tijd. De engel beschrijft een tijd die veel verder ligt dan de eerste komst en het sterven van Jezus:

26 Een volk van een vorst, een volk dat komen zal, zal de stad en het heiligdom te gronde richten. Het einde ervan zal zijn in de overstromende vloed en tot het einde toe zal er oorlog zijn, verwoestingen waartoe vast besloten is. (Daniël 9: )

Na de dood van de Messias (bij de 69 week) stopt het tellen van de weken. De 70 week sluit niet direct aan op de 69. Nadat de Messias is gedood tellen de weken niet door. Dit blijkt er al uit dat de profetie spreekt over een volk een vorst die de stad en het heiligdom ten gronden zal richten. Als het over ‘de stad’ en ‘het heiligdom’ gaat in deze profetie, dan kan het alleen maar over Jeruzalem en de tempel gaan. Het verwoesten van Jeruzalem en de tempel gebeurde ongeveer 40 jaar na de dood van Jezus, in het jaar 70. Daaruit blijkt dat het tellen van de weken is gestopt. Dit verwoesten werd gedaan door de soldaten van het Romeinse volk. De vorst waar in de profetie aan Daniël wordt gesproken was keizer Vespasianus. Nadat Jeruzalem en de tempel waren verwoest, raakte de Joden in de verstrooiing.

Niet alleen Jeruzalem en de tempel zouden als hoofdstad en heiligdom van Israël verdwijnen; ook dat volk (de Romeinen) en diens vorst (de keizers) zouden ten ondergaan (in de overstroming). Dit ondergaan van Rome gebeurde in het jaar 476. Tot het einde (de wederkomst) zal er oorlog zijn in de landen van het voormalige Rijk. De geschiedenis wijst uit dat dit inderdaad is gebeurd.

Maar dan gebeurt er iets opmerkelijks. Plotseling is die vorst, zijn Rijk en Israël en de offerdienst in de tempel zijn weer operationeel. Deze vorst (Rome) zal het verbond zwaar maken. En wat vooral van belang is, is dat de laatste van die 70 weken ook weer in beeld zijn. Dit verbond zal zwaar zijn, gedurende 1 week.

Halverwege die week zal hij (die vorst) het offeren (in de herbouwde tempel) doen ophouden.

27  Hij zal voor velen het verbond versterken, één week lang. (Daniël 9: )

Halverwege die week zal hij (die vorst) het offeren (in de herbouwde tempel) doen ophouden.

27 Halverwege de week zal Hij slachtoffer en graanoffer doen ophouden. Over de gruwelijke vleugel zal een verwoester zijn, zelfs tot aan de voleinding, die, vast besloten, uitgegoten zal worden over de verwoeste. (Daniël 9: )

Al deze dingen wist Jezus en de engelen, toen Hij zei dat Hij de dag en het uur van Zijn komst niet wist. Jezus heeft het in Zijn woorden zelfs over die ‘gruwelijke verwoester’ die Daniël noemt:

15  Wanneer gij dan de gruwel der verwoesting, waarvan door de profeet Daniel gesproken is, op de heilige plaats ziet staan (wie het leest, geve er acht op) 16  laten dan wie in Judea zijn, vluchten naar de bergen. (Mattheüs 24: )

Jezus wist dus goed waar Daniël het over had. Hij sluit mijn zijn beschrijving over de laatste dingen en de Grote Verdrukking waarover we in Mattheüs 24 lezen, naadloos aan bij de profetieën die Daniël daarover kreeg.

Wat gebeurt er wanneer in die laatste week

Als Jezus wist van de profetieën die Daniël waren geopenbaard, dan wist Hij ook van de specifieke gegevens over die periode. Jezus wist dan niet alleen dat de Verdrukking 7 jaar zou duren, maar Hij wist ook dat er in Daniël ook informatie staat met betrekking tot de tijd die dingen gaan duren in die Verdrukking. Daniël kreeg later nog een visioen over deze zaken. De engel zegt dan tegen hem:

4  Maar u, Daniël, houd deze woorden geheim en verzegel dit boek tot de tijd van het einde. Velen zullen het onderzoeken en de kennis zal toenemen. (Daniël 12: )

Deze zaken, die zo duidelijk lijken voor de hedendaagse lezer, zijn dat niet altijd geweest. Pas in de ‘tijd van het einde’ zal de kennis toenemen. Dit was misschien ook de reden dat de engelen en zelfs Jezus in zijn dagen niet beschikte over de kennis over deze dingen.

Later staat Daniël op de oever van de rivier, wanneer hij een man ziet:

6  De één zei tegen de Man gekleed in linnen, Die Zich boven het water van de rivier bevond: Hoelang duurt het nog voordat er een einde komt aan deze wonderlijke dingen?

7  Toen hoorde ik de Man gekleed in linnen, Die Zich boven het water van de rivier bevond, en Hij hief Zijn rechter- en Zijn linkerhand op naar de hemel en zwoer bij Hem Die eeuwig leeft: Na een vastgestelde tijd, vastgestelde tijden en een helft, wanneer Hij er een einde aan gemaakt zal hebben om de macht van het heilige volk stuk te slaan, zal er aan al deze dingen een einde komen.

Er zal een einde komen aan de verdrukking van het heilige volk (Israël), zegt deze Man. Dit zal zijn na een ‘vastgestelde tijd’, ‘vastgestelde tijden’ en een ‘halve’ periode van zo’n ‘tijd’. Dit is allemaal nogal cryptisch en Daniël vraagt daarom om uitleg.

8  Ik echter, ik hoorde het wel, maar ik begreep het niet. En ik zei: Mijn Heere, wat zal het einde hiervan zijn? 9  Toen zei Hij: Ga heen, Daniël, want deze woorden blijven geheim en verzegeld tot de tijd van het einde. 10  Velen zullen gereinigd, zuiver wit gemaakt en gelouterd worden. De goddelozen echter zullen goddeloos handelen en geen enkele van de goddelozen zal het begrijpen, maar de verstandigen zullen het begrijpen.

Dat antwoord maakt het niet veel duidelijker als hij slechts te horen dat er een scheiding komt tussen de goddelozen en verstandigen. Maar dan wordt deze Man plotseling heel concreet.

11  Van de tijd af dat het steeds terugkerende offer weggenomen zal worden en de verwoestende gruwel opgesteld zal zijn, zijn het 1290 dagen. 12  Welzalig is hij die blijft verwachten en 1335 dagen bereikt. (Daniël 12: )

Er wordt hier tot op de dag nauwkeurig beschreven hoe lang de periode vanaf het moment dat het terugkerende offer wordt gestopt tot de bevrijding zal duren. Dat moment waarop het offeren zal stopen is het moment waarop de ‘gruwel van de verwoesting’ wordt opgesteld: dat is dus het moment dat werd beschreven als dat plaatsvindt in de helft van de zeventigste week. Vanaf dat de gruwel van de verwoesting wordt opgesteld, duurt het 1290 en maximaal 1335 dagen voor de bevrijding (Jezus) komt. Waarom zegt Jezus dan dat Hij de tijd niet weet wanneer Hij terug zal komen?

Het wordt nog opmerkelijker als we lezen dat aan Daniël ook wordt geopenbaard wanneer de tempel zal worden herbouwd.

We gaan hier even met zevenmijlslaarzen door de materie. Daniël beschrijft hoe hij in deze profetie een geitenbok, met één hoorn ziet. Die geitenbok staat symbool voor het Macedonische rijk van Alexander de Grote, als die voorbij is (als Alexander sterft) komen uit dit rijk vier horens. Die vier horens zijn de Griekse rijken van de vier generaals van Alexander: dit zijn de vier diadochen (opvolgers).

8  De geitenbok maakte zich uitermate groot. Maar toen hij machtig geworden was, brak de grote hoorn af en in plaats daarvan kwamen er vier opvallende op, overeenkomstig de vier windstreken van de hemel 9  Uit één ervan kwam een kleine hoorn tevoorschijn, die uitzonderlijk groot werd, naar het zuiden toe, naar het oosten toe en naar het sieraadland toe. 10  Hij werd groot, tot aan het leger van de hemel. Van dat leger, namelijk van de sterren, liet hij er sommige ter aarde vallen en vertrapte ze.

Uit één van die rijken groeit Rome. Dit was de vorst die Jeruzalem en de tempel zou verwoesten.

11  Hij maakte zich groot tot aan de Vorst van dat leger. Het steeds terugkerende offer werd aan Deze ontnomen en Zijn heilige woning neergeworpen.

12  En het leger werd overgegeven vanwege de afvalligheid tegen het steeds terugkerende offer, en hij wierp de waarheid ter aarde. Hij deed het en het gelukte.

De verschillende visioenen van Daniël gaan dus telkens over dezelfde zaken. Het gaat telkens  over de toekomst van Israël, de verwoesting van Jeruzalem, de beruchte vorst en de rol van de tempel hierin.

13  Toen hoorde ik een heilige spreken, en een heilige zei tegen de Ongenoemde Die sprak: Hoelang zal het visioen van het steeds terugkerende offer en de verwoestende afvalligheid gelden, en hoelang zal zowel het heiligdom als het leger overgegeven worden om vertrapt te worden?

Dit is een compacte zin die we even uiteen moeten rafelen. Het gaat dus om hoelang zal het visioen zal duren.

  • Dit visioen spreekt over het terugkerende offer  
  • de verwoestende afvalligheid (gruwel van de verwoesting) en
  • het heiligdom wordt overgegeven om vertrapt te worden?

Het gaat dus om de tijd gerekend vanaf het terugkerende offeren (wat alleen in de tempel mag gebeuren) en het vertrappen van het heiligdom (de tempel). Hoe lang zal dit alles samen duren?

14  Hij zei tegen mij: Tot tweeduizend driehonderd (2300) avonden en morgens. Dan zal het heiligdom in rechten hersteld worden. (Daniël 8 )

De vraag die Daniël dus hoort stellen is: hoe lang zal de periode zijn waarin de tempel wordt herbouwd, hoelang de tempel daarna zal worden vertrapt en daarna weer in haar recht wordt hersteld. De hele periode zo hoort Daniël zeggen, waarin de tempel zal zijn herbouwd, vertrapt en (als Jezus komt) opnieuw hersteld zal worden is 2300 dagen.

Vanaf het moment dat de tempel zal worden herbouwd verstrijkt er dus een periode tot aan het moment waarop de vorst (de gruwel der verwoesting = antichrist) zich in de tempel zal laten aanbidden, waarbij het offeren zal stoppen.

We weten dat de periode waarin na de gruwel van de verwoesting, waarin de tempel tijdens de Verdrukking zal worden vertrapt, tot dat ze wordt hersteld, 1290 -1335 dagen is.

Reken we vanaf het einde van deze 2300 dagen naar voren in de tijd, dan weten we wanneer het heiligdom (de tempel) wordt hersteld en het offeren opnieuw zal beginnen. Dat is, uitgaande van de 1335 dagen dus 995 dagen voor de antichrist het offeren zal stoppen en zelf de tempel binnen zal gaan.

Met deze gegevens kunnen we weten wanneer de tempel zal worden herbouwd. Gaan we uit dat deze laatste week van 7 jaar (7 * 356)=2555 dagen duurt, dan valt de herbouw van de tempel dus binnen de Verdrukking.

Het is dus bekend uit Daniël

  • Hoeveel dagen voor Jezus terugkomt, de tempel gebouwd zal gaan worden (2300 dagen);
  • Hoeveel dagen voor Jezus terugkomt, de antichrist zich in de tempel zal gaan openbaren en het offeren zal stoppen (1290 tot 1335 dagen).

Waarom zei Jezus dan dat Hij noch de engelen, weten wanneer die dag is? Hoe komen we er dan achter wat Jezus hier bedoelt als Hij dat zegt?

Welke onderdeel van de wederkomst en dat wat er aan voorafgaat wist Jezus dan niet?

Welke dag wist Jezus, noch de engelen niet?

Waar heeft Jezus het over in de toespraak in Mattheüs 24? Deze tekst begint op het moment dat Jezus de tempel uitging. Zijn discipelen wijzen Hem dan op de gebouwen van de tempel. Hoewel deze gebouwen indrukwekkend zijn, zegt Jezus dat er geen steen op de andere gelaten zal blijven. De discipelen vragen Jezus dan twee dingen:

3  Zeg ons, wanneer zullen deze dingen gebeuren? En wat is het teken van Uw komst en van de voleinding van de wereld? (Mattheüs 24: )

De discipelen vragen Jezus wanneer de tempel zal worden verwoest en ze vragen Hem naar het moment van de voleinding van de wereld. Deze tekst uit Mattheüs 24 gaat over hetzelfde moment als waarover Markus schrijft in hoofdstuk 13 en Lucas in hoofdstuk 21. Als we deze drie teksten naast elkaar leggen zien we hoe de profetie de ondergang van de tempel in het jaar 70 (de eerste vraag) en de Grote Verdrukking beschrijft. In Mattheüs tekst ligt de nadruk op de Grote Verdrukking en Jezus’ wederkomst.

6 U zult horen van oorlogen en geruchten van oorlogen; pas op, word niet verschrikt, want al die dingen moeten gebeuren, maar het is nog niet het einde. (…) 13 Maar wie volharden zal tot het einde, die zal zalig worden.

14  En dit Evangelie van het Koninkrijk zal in heel de wereld gepredikt worden tot een getuigenis voor alle volken; en dan zal het einde komen.

15  Wanneer u dan de gruwel van de verwoesting, waarvan gesproken is door de profeet Daniël, zult zien staan op de heilige plaats-laat hij die het leest, daarop letten! – 16  laten dan zij die in Judea zijn, vluchten naar de bergen. 17  Wie op het dak is, moet niet naar beneden gaan om iets uit zijn huis te halen, 18  en wie op de akker is, moet niet terugkeren naar wat hij achterliet om zijn kleren te halen. 19  Maar wee de zwangeren en de zogenden in die dagen! 20  En bid dat uw vlucht niet zal plaatsvinden in de winter en ook niet op een sabbat. 21  Want dan zal er een grote verdrukking zijn, zoals er niet geweest is vanaf het begin van de wereld, tot nu toe, en zoals er ook nooit meer zijn zal. 22  En als die dagen niet ingekort werden, zou er geen vlees behouden worden; maar ter wille van de uitverkorenen zullen die dagen ingekort worden.

23  Als iemand dan tegen u zegt: Zie, hier is de Christus of daar, geloof het niet; 24  want er zullen valse christussen en valse profeten opstaan en zij zullen grote tekenen en wonderen doen, zó dat zij-als het mogelijk zou zijn-ook de uitverkorenen zouden misleiden. 25  Zie, Ik heb het u van tevoren gezegd!

26  Als men dan tegen u zal zeggen: Zie, Hij is in de woestijn; ga er niet opuit; zie, Hij is in de binnenkamers, geloof het niet, 27  want zoals de bliksem vanuit het oosten komt en zichtbaar is tot in het westen, zo zal ook de komst van de Zoon des mensen zijn. (…)

30  En dan zal aan de hemel het teken van de Zoon des mensen verschijnen; en dan zullen al de stammen van de aarde rouw bedrijven en zij zullen de Zoon des mensen zien, als Hij op de wolken van de hemel komt met grote kracht en heerlijkheid.

31  En Hij zal Zijn engelen uitzenden onder luid bazuingeschal, en zij zullen Zijn uitverkorenen bijeenbrengen uit de vier windstreken, van het ene uiterste van de hemelen tot het andere uiterste ervan. (…) 36  Maar die dag en dat uur is aan niemand bekend, ook aan de engelen in de hemel niet, maar alleen aan Mijn Vader. (Mattheüs 24)

Jezus heeft het in deze profetie over twee dingen. Hij spreekt over de Verdrukking en Hij heeft het over het specifieke momenten tijdens de Verdrukking en dan met namen het moment waarop Hij Zijn engelen zal uitzenden om Zijn uitverkorenen bijeen te brengen uit de vier windstreken.  

Als Jezus Zijn engelen zal uitzenden op die dag, dan zou het wel heel vreemd zijn als Jezus op die dag zelf, terwijl Hij Zijn engelen uitzendt, nog niet zou weten dat Hij op die dag ook terugkomt. Dit geldt ook voor de engelen. Zij weten op die dag en op dat uur als dit alles gebeurt heel goed wat er aan de hand is en wat er van hen wordt verwacht. Waarom zegt Jezus hier dan dat zij dat niet weten?

Jezus spreekt, zo zagen we, in de tegenwoordige tijd. Op het moment dat Hij dat zegt, dan weet Hij, noch Zijn engelen wanneer dat zal gaan plaatsvinden. Jezus zegt niet dat Hij, noch de engelen het op de dag zelf niet weten. De vraag is dan, op welk moment wordt Jezus en de engelen hier dan over geïnformeerd.

Deze vraag zou over kunnen komen als irrelevant: immers, waarom zouden wij moeten weten op welk moment Jezus door God wordt geïnformeerd over zo’n gebeurtenis. Dat is inderdaad een terechte vraag, ware het niet dat het ook voor ons lezers helemaal niet relevant is om te weten dat Jezus en de engelen op welk moment wel of niet weten wanneer Jezus Zijn uitverkorenen bijeen zal verzamelen.

Er is dus, na dit moment waarin Jezus zegt dat Hij het niet weet en voor het moment dat het gaat plaatsvinden waarop Jezus wel weet wanneer die dag zal gaan plaatsvinden. Dit betekent dat het theologisch niet veel zin heeft om met een beroep op deze tekst, te zeggen dat Jezus het (nu) Zelf niet weet wanneer Hij terug zal komen. Immers dat weten we niet. We weten alleen dat Jezus het niet wist op het moment dat Hij deze dingen zei.

Weet Jezus wanneer de Verdrukking begint?

Waar het op neer komt is dat Jezus, op het moment dat Hij zei dat Hij niet wist wanneer die dag zou gaan plaatsvinden, dat hij bedoelde dat Hij (toen) het moment niet wist wanneer de Verdrukking zou beginnen. Zou hij het moment waarop de Verdrukking begon, wel hebben geweten, dan wist Hij ook wat de dag was waarop Hij zijn engelen zou uitzenden om zijn uitverkorenen bijeen te verzamelen.

Is het aannemelijk dat Jezus (en de engelen) nu wel weten wanneer de Verdrukking begint?

Openbaring vier en vijf, zo bleek, beschrijft de voorbereiding in de hemel voor de Verdrukking begint. Het moment dat daarin wordt beschreven vindt dus plaats voor de Verdrukking die daaruit volgt. Het is duidelijk dat de engelen en zeker Jezus dan heel goed weten wanneer de Verdrukking begint.

Uit dit alles blijkt dat zowel Jezus als de engelen in elk geval vlak voor, maar misschien al veel eerder, weten wanneer de Verdrukking begint. Als zij dat dan weten dan weten zij op dat moment ook wanneer die laatste ‘week’ zal eindigen en wat er in de tussentijd allemaal zal gebeuren.

De vraag is: hoe lang voor het moment waarop de Verdrukking zal beginnen, weten zij dat?

Waarom zegt  Jezus dat Hij, noch de engelen niet weten wanneer Hij terugkomt?

De meest voor de hand liggende oplossing waarom Jezus zei dat, noch Hij noch de engelen, wisten wanneer die dag zou aanbreken is dat dit op dat moment ook werkelijk zo was. Jezus wist niet wanneer de Verdrukking zou gaan beginnen en dus ook niet wat de dag zou zijn waarop Hij zijn engelen zou uitzenden om de uitverkorenen bijeen te verzamelen.

Op het moment vlak voor de Verdrukking begint, wat wordt beschreven in de Openbaring (vier en vijf) weten Hij en de engelen dat wel.

Op welk moment de Vader Jezus en de engelen informeert over het moment waarop de Verdrukking zal gaan beginnen weten we niet. Er is wel een tekst die hier misschien iets over zegt. Daarover lezen we in de Openbaring van Johannes:

1 Openbaring van Jezus Christus, die God Hem gegeven heeft om Zijn dienstknechten te laten zien wat spoedig moet geschieden, en die Hij door Zijn engel gezonden en aan Zijn dienstknecht Johannes te kennen heeft gegeven. 2  Deze heeft van het Woord van God getuigd en van het getuigenis van Jezus Christus, alles wat hij gezien heeft. (Openbaring 1:1-2)

De sleutel tot het begrijpen van de Grote Verdrukking is de Openbaring van Johannes, of te wel de Openbaring van Jezus Christus. Deze Openbaring is door God (de Vader) aan Jezus gegeven. Jezus heeft deze Openbaring via een engel aan Johannes gegeven. Deze Openbaring beschrijft allerlei zaken die Jezus ook noemt in wat Hij beschrijft in onder andere Mattheüs 24 en wat te lezen valt in profetieën die in het Oude Testament staan. Jezus had, toen Hij zei dat Hij niet wist wat het uur en de dag was, de Openbaring nog niet ontvangen.

Hoe lang voor de Verdrukking zal beginnen Jezus en de engelen zullen weten dat deze plaats zal gaan vinden, is voor ons moeilijk te zeggen. Er is goede reden, waar hier niet verder op in zal worden gegaan om aan te nemen dat ze dat nu wel weten. Punt waar wij hier vooral rekenschap van moeten geven is wat wij met de profetieën doen. Het argument dat we ons hier niet mee bezig zouden hoeven houden omdat ‘zelfs Jezus de dag en de uren niet weet’ snijdt geen hout, zo is gebleken.

Een andere vraag waar we hierna naar zullen gaan kijken komt voort uit een vergelijkbaar ‘probleem’ als Jezus tegen zijn discipelen zegt dat het hun niet is gegeven de tijd te kennen die de Vader aan zich heeft voorbehouden.

Binnenkort komt deel 2 in deze reeks met de vraag waarom Jezus tegen zijn discipelen bij Zijn hemelvaart zegt dat het hun zaak niet is om de tijd van Zijn komst te weten.

Kees Middelbeek

Leiden maart 2020